Bijlage I Blpg: behorende bij het besluit LPG-tankstations milieubeheer
Besluit LPG-tankstations milieubeheer (Blpg)
I Begrippen II Voorschriften 1 Uitvoering LPG-installatie 2 (Periodieke) keuringen 3 Bedrijfsvoering LPG-installatie 4 Afstanden LPG-installatie tot objekten binnen de inrichting 5 Het lossen van de tankwagen 1. In dit besluit wordt verstaan onder: brandwerendheid van bouwdelen: de tijd uitgedrukt in minuten, gedurende welke enig bouwkundig onderdeel van een gebouw, niet zijnde een deur-, luik- of raamconstructie, zijn functie moet kunnen blijven vervullen bij verhitting, bepaald volgens NNE 3884, uitgave 1978; brandwerendheid van deur-, luik- en raamconstructies: de tijd uitgedrukt in minuten, gedurende welke deur-, luik- of raamconstructies weerstand bieden tegen bezwijken en vlamdicht blijven in geval van brand, bepaald volgens NEN 38 85, uitgave 1982; CPR 8 –1: de door de Commissie Preventie van Rampen door Gevaarlijke Stoffen uitgegeven richtlijn 'Autogas , derde druk, uitgave 1987; LPG-tankstation klasse A: een LPG-tankstation ten behoeve waarvan vóór 1 juli 1984 een hinderwetvergunning is verleend en waarbij zich, na realisatie van de in voorschrift 4.6.1 genoemde verplaatsing, tevens binnen 20 m afstand van het vulpunt of van het reservoir (gerekend vanaf de aansluitpunten van de leidingen, alsmede het bovengrondse deel van de leidingen en de pomp bij het reservoir) een woning van derden of een object categorie II bevindt; LPG-tankstation klasse B: een LPG-tankstation ten behoeve waarvan vóór 1 juli 1984 een hinderwetvergunning is verleend en dat niet behoort tot een LPG-tankstation klasse A; NEN: een door het Nederlands Normalisatie Instituut (NNI) uitgegeven norm; NEN-EN: een door het Comité Européen de Normalisation opgestelde en door het Nederlands Normalisatie Instituut (NNI) als Nederlandse norm aanvaarde en uitgegeven norm; onbrandbaar: het onbrandbaar zijn overeenkomstig het bepaalde in NEN 3881, uitgave 1975; VLG: Reglement betreffende het vervoer over land van gevaarlijke stoffen (Stcrt. 1979, 189). 2. Voor zover een NEN- of NEN-EN-norm, waarnaar i
- a. visuele uitwendige inspectie op aantasting, ligging en ondersteuning van een bovengronds reservoir, bovengrondse leidingen en het toebehoren;
- b. visuele uitwendige inspectie en controle op de goede werking van het toebehoren, alsmede een controle op de goede werking van instrumentele veiligheidsvoorzieningen en de op afstand bedienbare afsluiters;
- c. controle op de aanwezigheid van de brandblusmiddelen;
- d. controle op gasdichtheid van de installatie, bijvoorbeeld door "afzepen" onder de heersende LPG-druk.
- a. de te verrichten werkzaamheden goed zijn voorbereid;
- b. passende maatregelen in verband met de veiligheid zijn genomen in overleg met de bij de werkuitvoering betrokkenen;
- c. indien de gezamenlijke inhoud van deze onderdelen meer dan 0,2 m3 bedraagt, bedoelde maatregelen schriftelijk zijn vastgelegd en door of namens de opdrachtgever en de bij de werkuitvoering betrokkenen zijn ondertekend (werkvergunning), een en ander met inachtneming van CPR 8-1, bijlage V.
- a. brandstofreservoirs, uitsluitend dienend voor de berging van LPG, die speciaal zijn ingericht voor de aandrijving van motorvoertuigen en die bevestigd zijn aan deze voertuigen;
- b. speciaal hiervoor ingerichte wisselreservoirs met een inhoud van ten hoogste 150 l bestemd voor de aandrijving van hef- en transportwerktuigen; het afleveren aan deze wisselreservoirs in besloten ruimten is verboden en moet in de open lucht geschieden;
- c. aan het reservoir van de LPG-tankwagen, wanneer de installatie wordt leeggehaald.
- a. de toezichthoudende persoon vanaf de plaats, waar de knop van de op afstand bedienbare afsluiters is aangebracht, onbelemmerd zicht kunnen hebben op het afleveren van LPG;
- b. de aflevering van LPG slechts mogelijk zijn nadat de toezichthoudende persoon het aflevertoestel hiertoe heeft vrijgegeven;
- c. tijdens het afleveren van LPG aan het motorvoertuig de toezichthoudende persoon zich bevinden op de plaats waar de knop van de op afstand bedienbare afsluiters te allen tijde kan worden bediend;
- d. op of nabij het aflevertoestel een duidelijk leesbare instructie voor het vullen van het motorvoertuig zijn aangebracht; voorzieningen moeten aanwezig zijn waarmee de toezichthoudende persoon tijdens het afleveren van LPG zonodig mondelinge instructies kan geven aan degene die het aflevertoestel bedient.
- a. binnen een afstand van 1 m rondom het LPG-voerende gedeelte van het aflevertoestel, zowel in horizontale als vertikale richting en binnen een gebied met een hoogte van 2 m dat zich uitstrekt over een afstand tot het aflevertoestel die gelijk is aan de lengte van de afleverslang plus 2 m, moet het elektrisch materieel voldoen aan de voorschriften die gelden voor zone 2;
- b. binnen het aflevertoestel moet het elektrisch materieel voldoen aan de voorschriften die gelden voor zone 1.
- a. de afstanden niet verder mogen worden verkleind bij verplaatsingen van de ligging van vulpunt, aflevertoestel of reservoir;
- b. indien het afstanden betreft ten opzichte van tot de inrichting behorende gebouwen, tot een bedrijfswoning of tot de verkoopruimte, de wanden en afdekking van deze gebouwen, gemeten vanaf de in voorschrift 4.2.3 genoemde afstanden, geen openingen bevatten waardoor zich gas in deze gebouwen kan verzamelen; in deze wanden en afdekking aanwezige ramen moeten in de dichte stand zijn vastgezet; hierin aanwezige deuren moeten zelfsluitend zijn uitgevoerd; zij mogen slechts worden geopend voor het onmiddellijk doorlaten van personen en goederen.
- a. de in het voorschrift 4.6.1 bedoelde verplaatsing van reservoir of vulpunt;
- b. het voldoen aan voorschrift 4.5.1;
- c. het vermijden van een opstelling van de tankwagen binnen 15 m afstand van woningen van derden of objecten categorie II.
- a. de kast moet op ten minste 20 cm zijn geplaatst van LPG voerende onderdelen van de installatie;
- b. de kast moet bestand zijn tegen een dynamische druk van 160 kPa (1,6 bar) over een oppervlakte van 100 cm²;
- c. de lamellen moeten een breedte bezitten van ten minste 5 cm en ten hoogste 10 cm; de lamellen en andere delen van de kast moeten zijn vervaardigd van staal en moeten ten minste 2,5 mm dik zijn;
- d. de lamellen in de zijwanden van de kast moeten naar buiten en omhoog gericht zijn onder een hoek van 60° met het horizontale vlak; de lamellen moeten zodanig in de zijwanden zijn aangebracht dat, gemeten in het vertikale vlak, zich geen openingen in de zijwanden bevinden; de in de zijwanden aangebrachte lamellen moeten zijn vastgezet in vertikaal geplaatste verstevigingsstrippen; de afstand tussen deze strippen mag ten hoogste 0,5 m bedragen;
- e. de bovenzijde van de kast moet bestaan uit een rooster met vierkante openingen, bestaande uit vertikaal geplaatste lamellen; de opening tussen de lamellen mag niet groter zijn dan de (vertikale) breedte van de lamellen.
- a. het gestelde in voorschrift 4.6.4 onder a tot en met e is van overeenkomstige toepassing;
- b. de bovenzijde van de kast moet volledig aansluiten op de zijwanden van de kast;
- c. indien de kast een open zijde of anderszins openingen bezit, mogen zich geen woningen van derden of objecten categorie II bevinden in het gebied dat zich uitstrekt tot 20 meter van het vulpunt en dat verder begrensd wordt door de horizontale projectie van de hoek, die bestaat uit de vanaf het vulpunt langs de openingen in de kast getrokken lijnen, welke aan beide zijden van die lijnen zijn vermeerderd met een hoek van 45°.