Art. 1 Erkenningsregeling vrijwillige plaatsingen jeugdhulpverlening, Algemene bepalingen

Erkenningsregeling vrijwillige plaatsingen jeugdhulpverlening

Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder:

de minister van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur;

activiteiten gericht op het bij jeugdigen voorkomen, verminderen, of opheffen van problemen of stoornissen van lichamelijke, geestelijke, sociale of pedagogische aard die hun ontwikkeling naar volwassenheid ongunstig kunnen beïnvloeden;

degene aan wie pleegzorg of jeugdhulpverlening in een residentiële voorziening wordt geboden dan wel ten aanzien van wie het bieden van deze hulpverlening wordt overwogen;

een in Nederland gevestigde rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid, niet zijnde een residentiële of semi-residentiële voorziening, die in ieder geval ten doel heeft het bieden van jeugdhulpverlening;

een persoon die op grond van de Subsidieregeling vrijwillige pleegzorg (Stcrt. 1984, 138) voor subsidie in aanmerking is of wenst te worden gebracht;

een tehuis waarin aan aldaar opgenomen jeugdigen gedurende dag en nachthulp wordt geboden en dat op grond van de Tijdelijke subsidieregeling jeugdhulpverlening voor subsidie in aanmerking is gebracht met uitzondering van de voorzieningen opgenomen in de bij de Tijdelijke subsidieregeling jeugdhulpverlening behorende lijst A en de medische kindertehuizen, dan wel op grond van artikel 5 van de Beginselenwet voor de kinderbescherming (Stb. 1961, 403) is goedgekeurd;

vrijwillige hulpverlening aan een jeugdige bij een pleegouder of in een residentiële voorziening;

voortzetting van de plaatsing bij dezelfde pleegouder of in dezelfde residentiële voorziening na het verstrijken van de in artikel 7, tweede lid, bedoelde termijn;

het resultaat van de in artikel 3, onder a en c bedoelde activiteiten;

de regio bedoeld in artikel 1, onder b, van de Tijdelijke stimuleringsregeling samenwerkingsverbanden jeugdhulpverlening.