Bijlage VIII Bsb: van het Binnenschepenbesluit. Technische regelen voor bunkerstations
HOOFDSTUK 1 ALGEMENE BEPALINGEN 1.01 Definities 1.02 Toepassing HOOFDSTUK 2 CONSTRUCTIE-EISEN 2.01 Materialen 2.02 Opslag in ladingtanks 2.03 Ladingtankruimten en ladingtanks 2.04 Indeling 2.05 Openingen van de ladingtanks 2.06 Laad- en losleidingen 2.07 Druk in de laad- en losleidingen 2.08 Inrichting kofferdammen 2.09 Doorvoeringen 2.10 Toegangen 2.11 Uitlaatgassenleidingen 2.12 Brandstoftanks 2.13 Lens- en ballastinrichting 2.14 Machinekamers 2.15 Machines 2.16 Gevaar voor vonkvorming 2.17 Inspectie, ventilatie en reiniging 2.18 Veiligheids- en controle-inrichtingen ten behoeve van het beladen van bunkerstations 2.19 Veiligheids- en controle-inrichtingen ten behoeve van het bunkeren HOOFDSTUK 3 INRICHTING EN UITRUSTING 3.01 Speciale uitrusting 3.02 Inrichting met betrekking tot het toegangsverbod en het rookverbod HOOFDSTUK 4 ELEKTRISCHE INSTALLATIES 4.01 Elektrische inrichtingen 4.02 Verdeelsystemen 4.03 Typen en plaatsen van de elektrische inrichtingen 4.04 Aarding 4.05 Elektrische kabels 4.06 Sein-, navigatie- en loopplankverlichting 4.07 Draagbare lampen 4.08 Verlichting HOOFDSTUK 5 BRANDVEILIGHEID 5.01 Vuur en onbeschermd licht 5.02 Brandblusvoorzieningen HOOFDSTUK 6 BESCHEIDEN AAN BOORD 6.01 Documenten 6.02 Schriftelijke instructies 6.03 Verklaring bij brandblustoestellen 6.04 Bescheiden betreffende elektrische installaties HOOFDSTUK 7 KEURINGEN 7.01 Tot keuren bevoegde personen 7.02 Elektrische inrichtingen 7.03 Uitrusting 7.04 Beproeving van de druk 7.05 Beproeving door de bemanning 7.06 Droogstaande keuring HOOFDSTUK 8 VOORSCHRIFTEN VOOR LADEN, BUNKEREN EN ONTGASSEN 8.01 Bunkercontrolelijst 8.02 Meren 8.03 Maatregelen tijdens het bunkeren 8.04 Maatregelen tijdens het laden 8.05 Maatregelen tijdens het ontgassen HOOFDSTUK 9 OVERIGE VOORSCHRIFTEN 9.01 Ladingtanks 9.02 Ladingtankdeksels 9.03 Laad- en losleidingen 9.04 Motoren 9.05 Controle, lekkage en reinheid 9.06 Opslag 9.07 Bekendheid veiligheidszaken 9.08 Toegang 9.09 Rookverbod 9.10 Open vuur HOOFDSTUK
- a. gasolie of dieselolie: de stof aangeduid in Deel 3, Tabellen A en C van Bijlage 1 van de VBG, als DIESELOLIE of GASOLIE of STOOKOLIE, LICHT, Klasse 3, UN 1202;
- b. benzine: de stof aangeduid in Deel 3, Tabellen A en C van Bijlage 1 van de VBG, als BENZINE of MOTORBRANDSTOF, Klasse 3, UN 1203;
- c. lossen: uit de ladingtanks pompen van gasolie, dieselolie of benzine;
- d. bunkeren: het door middel van lossen leveren aan schepen van gasolie, dieselolie of benzine als brandstof ten behoeve van die schepen;
- e. laad- en losleidingen: alle leidingen en bijbehorende pompen, filters en afsluitinrichtingen waarin zich vloeibare- of gasvormige lading kan bevinden;
- f. ladingtank: een met het bunkerstation vast verbonden tank bestemd of gebezigd voor de opslag van gasolie, dieselolie of benzine;
- g. IEC-publicatie 245: de publicatie «Rubber insulated cables of rated voltages up to and including 450/750 Volts»; part 1: «General requirements», part 2: «Test methods» en part 4: «Cords and flexible cables», uitgegeven door de International Electrotechnical Commission;
- h. L x B x H: het product van de hoofdafmetingen van het bunkerstation in m3 volgens de meetbrief waarbij: L = de grootste lengte van de scheepsromp in m, B = de grootste breedte van de scheepsromp in m, H = de kleinste verticale afstand tussen de onderzijde van de kiel en het laagste punt van het dek in de zijde van het bunkerstation (holte) in de ladingzone in m;
- i. onderdeks gelegen ladingzone: het geheel der ruimte, gelegen tussen twee verticale vlakken loodrecht op het langsscheepse vlak van het bunkerstation, die de ladingtanks, de ladingtankruimte, de kofferdammen, de pompkamer, de zijtanks en de dubbele bodems omvat, waarbij deze vlakken in de regel samenvallen met de uiterste kofferdamschotten of met de schotten die de ladingtankruimte begrenzen, met dien verstande, dat de onderdeks gelegen dienstruimten niet tot de ladingzone worden gerekend;
- j. bovendeks gelegen ladingzone: eventuele opslagruimten aan dek voor gevaarlijke stoffen, het gebied dat gevormd wordt met een straal van 1,00 m rond de opstelling van pompen voor de afgifte van benzine en het gebied dat gevormd wordt door de bovendeks gelegen bolsegmenten met een straal van 1,00 m rond de ventilatieopeningen van de kofferdammen en met een straal van 2,00 m rond de ventilatieopeningen van de ladingtanks;
- k. CPR 9 -1: Richtlijn voor de ondergrondse opslag in stalen tanks en afleverinstallaties voor motorbrandstof, uitgegeven door de Commissie Preventie van Rampen door Gevaarlijke Stoffen;
- l. KIWA: KIWA N.V., gevestigd te Rijswijk;
- m. BRL (KIWA-beoordelingsrichtlijn): een door het College van Deskundigen Bodembeschermende Voorzieningen voor accoord verklaard document waarin eisen zijn opgenomen die door de certificeringsinstelling worden gehanteerd als grondslag voor de afgifte en instandhouding van certificaten.
- a. beperkt explosieveilige elektrische inrichting;
- b. erkend veilige elektrische inrichting;
- c. explosiegroep;
- d. ontstekingsbeschermingssoorten:
- EEx (d): explosieveilige omhulling;
- EEx (ia): intrinsiekveilige stroomkring;
- EEx (p): overdruk omhulling;
- e. temperatuurklasse;
- f. SOLAS;
- g. dienstruimte;
- h. kofferdam;
- i. ladingtankruimte;
- j. onafhankelijke ladingtank;
- k. pompkamer;
- l. woning;
- m. onbeschermd licht.
- a. niet door de lading aangetast kan worden;
- b. geen ontleding van de lading kan veroorzaken; en
- c. geen schadelijke of gevaarlijke verbindingen kan vormen met de lading.
- a. voor losse uitrustingsstukken;
- b. voor de onderstopping van tanks die onafhankelijk zijn van de scheepsromp;
- c. voor de onderstopping van inrichtingen en uitrustingen;
- d. voor onderdelen van machines;
- e. voor onderdelen van de elektrische inrichting; en
- f. voor onderdelen van de laad- en losinstallatie.
- a. bekleding van ladingtanks en laad- en losleidingen;
- b. afdichtingen;
- c. elektrische leidingen;
- d. laad- en losslangen; en
- e. isolering van ladingtanks en laad- en losleidingen.
- a. de dienstruimte begrenzende schotten verticaal tot op de bodem zijn aangebracht;
- b. de dienstruimte slechts vanaf dek toegankelijk is; en
- c. de dienstruimte, met uitzondering van de toegangs- en ventilatieopeningen, waterdicht is.
- a. de dienstruimte voldoet aan de omschrijving in artikel 2.08, derde lid;
- b. de doorvoering van de as door het schot gasdicht is;
- c. de doorvoering door een erkend onderzoekingsbureau is toegestaan; en
- d. op een bord de noodzakelijke bedrijfsaanwijzingen zijn aangegeven.
- a. een vulmerk met de vullingsgraad van 97%;
- b. een niveau-alarminrichting die uiterlijk bij een inhoud van 90% in werking treedt.; en
- c. indien dit in artikel 2.05, tweede lid, wordt vereist, een overvulbeveiliging die uiterlijk bij een inhoud van 97,5% in werking treedt of, indien vanuit een tankwagen wordt beladen, een beveiliging die uiterlijk bij een inhoud van 97,5%, mits de inhoud van de laadleiding en/of de laadslang nog in de te beladen ladingtank kan worden opgenomen, de toevoer naar de ladingtank automatisch en volledig afsluit.
- a. meet-, regel- en alarminrichtingen in erkend veilige uitvoering;
- b. lichten in de ontstekingsbeschermingssoort EEx (d) of EEx (p).
- a. meet-, regel- en alarminrichtingen in erkend veilige uitvoering;
- b. lichten in de ontstekingsbeschermingssoort EEx (d) of EEx (p);
- c. motoren in erkend veilige uitvoering ten behoeve van de voor het bedrijf noodzakelijke installaties.
- a. de installatie wordt gevoed door twee onafhankelijke brandblus- of ballastpompen of door een permanente walaansluiting;
- b. in geval van voeding door pompen aan boord is één van deze pompen altijd bedrijfsgereed en zijn de pompen niet in dezelfde ruimte opgesteld;
- c. aan dek zijn ten minste drie brandslangaansluitingen;
- d. er zijn drie voldoende lange en op de brandslangaansluitingen passende brandslangen, voorzien van een straalpijp;
- e. het sproeistuk heeft een diameter van ten minste 12 mm;
- f. ten minste twee, niet van dezelfde brandslangaansluiting afkomstige waterstralen kunnen tegelijkertijd iedere plaats van het dek in de ladingzone bereiken;
- g. de capaciteit van de installatie is ten minste voldoende om bij gelijktijdig gebruik van twee straalpijpen vanaf iedere plaats aan boord het bluswater een werpafstand te laten bereiken gelijk aan de scheepsbreedte; en
- h. een veerbelaste terugslagklep garandeert, dat gassen niet door de brandblusinstallatie in woningen of dienstruimten buiten de ladingzone kunnen komen.
- a. de brandmelders zijn op afstand individueel geïdentificeerd, of
- b. de brandmelders zijn in secties gegroepeerd.
- a. Het controlepaneel bevat duidelijke informatie omtrent de ligging van elke gemelde sectie;
- b. een sectie mag zich niet over meer dan één dek uitstrekken. In het geval dat een gesloten trappenhuis zich over meer dekken uitstrekt, mag het trappenhuis als één sectie worden uitgevoerd;
- c. voor elk der volgende ruimten geldt dat deze niet met andere ruimten tot één sectie mogen behoren:
- d. een ruimte waar een verbrandingsmotor staat opgesteld;
- e. een pompkamer;
- f. een omsloten trappenhuis indien het trappenhuis meer dan twee dekken met elkaar verbindt;
- g. een opslag van gevaarlijke stoffen;
- h. een winkel.
- a. een geldig certificaat;
- b. de schriftelijke instructies met betrekking tot de opslag van gasolie of dieselolie;
- c. een bijgewerkt exemplaar van Bijlage 1 van de VBG;
- d. een bijgewerkt exemplaar van de bijlagen II en VIII van dit besluit;
- e. een beproevingenboek;
- f. de geldige bewijzen van de beproeving van de brandblustoestellen, de brandslangen, de laad- en losslangen, de elektrische inrichtingen en, indien vereist, van de speciale uitrusting;
- g. een tekening waarop de grenzen van de ladingzone en de in deze zone geïnstalleerde elektrische toestellen zijn aangegeven;
- h. een lijst van in de ladingzone geïnstalleerde elektrische inrichtingen;
- i. een lijst of schema met de buiten de ladingzone aanwezige elektrische toestellen die ingeval van een calamiteit uitgeschakeld worden;
- j. de gebruiksaanwijzingen in de Nederlandse taal van de toestellen en installaties waarvan het gebruik speciale veiligheidsmaatregelen vereist; en
- k. de documenten met betrekking tot de overvulbeveiliging en de installatie voor het afleveren van benzine, indien aanwezig.
- a. de aard van het gevaar dat de opslag van gasolie, dieselolie of benzine met zich meebrengt en de daaruit voortvloeiende noodzakelijke veiligheidsmaatregelen;
- b. de te nemen maatregelen en de te verlenen hulp, indien personen met gasolie, dieselolie of benzine in aanraking komen;
- c. de te nemen maatregelen bij brand en de middelen of groepen van middelen die bij de brandbestrijding mogen worden gebruikt; en
- d. de in geval van breuk of andere beschadiging van de tanks of bij het vrijkomen van de opgeslagen gasolie, dieselolie of benzine te nemen maatregelen, in het bijzonder, indien deze stoffen zich hebben verspreid.
- a. de isolatieweerstand van de elektrische inrichtingen;
- b. de aarding van de elektrische inrichtingen; en
- c. de explosiebeveiligde elektrische inrichtingen.
- a. de naam van het bunkerstation;
- b. de naam en het officiële scheepsnummer van het te bunkeren schip;
- c. de naam van de schipper of de gevolmachtigde van het te bunkeren schip;
- d. de plaats waar en de datum waarop het bunkeren plaatsvindt;
- e. de hoeveelheid te bunkeren gasolie, dieselolie of benzine in liters;
- f. de pompsnelheid in liters per minuut; en
- g. de hoeveelheid smeerolie die wordt overgepompt.
- a. niet behoren tot woning, winkel of kantoor;
- b. geen directe verbinding vormen tussen woning, winkel of kantoor;
- c. geen directe verbinding vormen tussen woning, winkel, kantoor en bunkerende schepen; en
- d. geen directe verbinding vormen tussen woning, winkel, kantoor en de wal.
- a. degene die de ruimte betreedt gebruik maakt van een van de buitenlucht onafhankelijke zuurstofvoorziening;
- b. degene die de ruimte betreedt is beveiligd door middel van een veiligheidslijn;
- c. een tweede persoon toezicht houdt en een van de buitenlucht onafhankelijke zuurstofvoorziening binnen handbereik heeft; en
- d. aan boord, op roepafstand, nog ten minste twee andere personen of één andere persoon en een bergingsapparaat aanwezig zijn die hulp kunnen bieden.
- a. aan de artikelen van deze bijlage, genoemd in de bij dit artikel behorende tabel, wordt binnen de daarbij vermelde datum voldaan;
- b. aan de artikelen van deze bijlage die niet in de bij dit artikel behorende tabel zijn genoemd, wordt binnen een jaar na inwerkingtreding van dit besluit voldaan;
- c. bouw en uitrusting worden ten minste op de huidige stand met betrekking tot de veiligheid gehouden.