Bijlage VII Bsb: van het Binnenschepenbesluit
HOOFDSTUK 1. ALGEMEEN 1.01. Definities 1.02. Toepassing HOOFDSTUK 2. SCHOTTEN 2.01. Algemeen 2.02. Openingen en deuren in schotten 2.03. Doorvoeringen van pijpen 2.04. Machinekamers en ketelruimen HOOFDSTUK 3. STABILITEIT 3.01. Kenterend moment ten gevolge van de winddruk 3.02. Kenterend moment ten gevolge van de winddruk varend onder zeil 3.03. Resterend vrijboord en resterende veiligheidsafstand 3.04. Kromme van de statische stabiliteit HOOFDSTUK 4. WERKTUIGBOUWKUNDIGE EISEN 4.01. Voortstuwingsinstallaties 4.02. Buitenboordafsluiters en leidingsystemen 4.03. Lieren HOOFDSTUK 5. UITRUSTING 5.01. Reddingboeien 5.02. Gemeenschappelijke reddingmiddelen HOOFDSTUK 6. HYGINE EN VEILIGHEID VAN VERBLIJVEN EN ARBEIDSPLAATSEN 6.01. Afmetingen van de arbeidsplaats 6.02. Drinkwaterinstallaties HOOFDSTUK 7. TEN HOOGSTE TOEGESTANE AANTAL PASSAGIERS 7.01. Berekening van het ten hoogste toegestane aantal passagiers HOOFDSTUK 8. BIJZONDERE VOORZIENINGEN VOOR PASSAGIERS 8.01. Beveiliging tegen vallen HOOFDSTUK 9. BRANDBESCHERMING EN BRANDBESTRIJDING 9.01. Ruimten met verhoogd brandrisico 9.02. Brandbluspomp en leidingen HOOFDSTUK 10. OVERIGE INSTALLATIES 10.01. Algemene alarminstallatie 10.02. Elektrische installatie HOOFDSTUK 11. TUIGAGE § 1. Algemeen 11.01. Tuigage algemeen § 2. Masten en rondhouten 11.02. Masten en rondhouten algemeen 11.03. Masten 11.04. Stengen 11.05. Boegsprieten 11.06. Kluiverbomen 11.07. Gieken 11.08. Gaffels § 3. Staand en lopend want 11.09. Staand en lopend want algemeen 11.10. Staand want 11.11. Lopend want § 4. Overige onderdelen van de tuigage 11.12. Beslag en onderdelen van de tuigage 11.13. Zeilen § 5. Keuring 11.14. Keuring HOOFDSTUK 12. OVERGANGSBEPALINGEN 12.01. Toepassing van de regelen op bestaande zeilende passagiersschepen Bijlage III, artikel 1.01, is van toepassing. 1. Deze bijlage is van toepassing op zeilende passagiersschepen die worden gebruikt op de in Nederland gelegen binnenwateren van de zones 2, 3 of 4. 2. Bijlage III is op zeilende
- a. de waterlijnlengte kleiner is dan 40 m;
- b. het schip slechts een dek heeft;
- c. deze deur rechtstreeks vanaf het dek te bereiken is en niet meer dan 10 m van de toegang tot het dek verwijderd is;
- d. de onderkant van de deuropening ruim boven de vloer van de voor passagiers toegankelijke ruimten ligt;
- e. de beide aangrenzende waterdichte afdelingen met een bilge-alarm uitgerust zijn; en
- f. in het stuurhuis of in de onmiddellijke nabijheid van de stuurstand een optisch alarm is aangebracht dat in werking wordt gesteld als de deur geopend is.
- a. de pijpleiding binnen de in bijlage III, artikel 3.02, vierde lid, omschreven veilige zone loopt; en
- b. de afstand tussen de pijpleiding en de scheepsbodem zo groot mogelijk is, met dien verstande dat de pijpleiding ten minste boven de spanten of de wrangen is aangebracht.
- a. het totale vloeroppervlak van de machinekamer of het ketelruim, gemeten op de hoogte waar de vloerplaten zijn aangebracht, niet meer dan 35 m2 bedraagt;
- b. de afstand tussen de uitgang of de voet van de trap die naar de uitgang voert en elke plaats, waar bedienings- of onderhoudswerkzaamheden kunnen worden uitgevoerd, kleiner is dan 5 meter; en
- c. bij de verst van de uitgang gelegen plaats waar bedienings- of onderhoudswerkzaamheden kunnen worden uitgevoerd een draagbaar brandblusapparaat is aangebracht.
- a. artikel 1.02, tweede lid, ten aanzien van de artikelen: 3.03, derde lid; 6.01, tweede tot en met vierde lid; 7.01; 7.02, eerste lid, tweede alinea; 8.04; 9.03; 9.09, van bijlage III;
- b. artikel 1.02, derde lid;
- c. artikel 1.02, vierde lid, ten aanzien van de artikelen: 5.05, zevende lid; 7.02, eerste lid, onderdeel e, van bijlage II;
- d. artikel 1.02, vijfde lid, ten aanzien van artikel: 11.12, eerste lid, van bijlage II;
- e. de artikelen: 2.01, tweede lid; 2.03; 5.03; 6.02; tweede lid; 8.01; 9.01; 9.02; 10.01; en 12.01, derde lid.
- a. er sprake is van een woonkeuken;
- b. de wanden en de plafonds tot 2 m van de plaats waar de kookgelegenheid is opgesteld brandvertragend zijn uitgevoerd; en
- c. de ruimte niet is ingericht voor horecadoeleinden.
- a. er komen geen concentraties van grote kwasten in voor;
- b. het hout is binnen de vereiste diktes spintvrij;
- c. het hout is zoveel mogelijk rechtdradig;
- d. het hout is zo min mogelijk gedraaid gegroeid;
- e. bij verlijmde masten is de verlijming passend voor de houtsoort.
- a. lengte: de totale lengte van de steng, zonder de top;
- b. beslagdiameter: diameter van de steng ter plaatse van het topbeslag.
- a. kluiverboom: een verlenging van de boegspriet, dan wel een hijsbaar of intrekbaar rondhout, waaraan voorzeilen gevoerd kunnen worden;
- b. lengte: totale lengte van de kluiverboom.
- a. de zeilen, inclusief de lijken, schoothoek en reef-ogen;
- b. de staat van masten en rondhouten;
- c. de staat van het staand en lopend want met inbegrip van splitsen en talurietklemmen;
- d. de mogelijkheden om het zeil snel en veilig te kunnen reven;
- e. de deugdelijke bevestiging van blokken van vallen en dirken;
- f. de bevestiging van mastkokers en overig aan de scheepsconstructie aangebrachte bevestigingspunten van staand en lopend want;
- g. de staat van ten behoeve van de zeilvoering aanwezige lieren;
- h. de overige ten behoeve van het zeilen aangebrachte voorzieningen zoals zwaarden en de middelen die voor de bediening daarvan zijn aangebracht; en
- i. de getroffen voorzieningen teneinde schavielen van rondhouten, want en zeilen te voorkomen.