Bijlage VI Bsb: van het Binnenschepenbesluit
1. Rijksvaartuigen die zijn gebouwd of bestemd voor het bedrijfsmatig vervoer van goederen, met een laadvermogen van 15 ton of meer, moeten voldoen aan de regelen van bijlage II, met inachtneming van de regelen van hoofdstuk 2 van deze bijlage. 2. Rijksvaartuigen die zijn gebouwd om te slepen dan wel te duwen, met uitzondering van de rijksvaartuigen met een lengte van minder dan 15 m en een vermogen van de voortstuwingsmotor van ten hoogste 120 kW en die zijn voorzien van inrichtingen om te slepen, moeten voldoen aan de regelen van bijlage II, met inachtneming van de regelen van de hoofdstukken 2, 3, 4 en 6 van deze bijlage. 3. Andere rijksvaartuigen dan bedoeld in het eerste en tweede lid, met een lengte van meer dan 25 m moeten voldoen aan de regelen van bijlage II, met inachtneming van de regelen van de hoofdstukken 2, 3, 5 en 6 van deze bijlage. 4. Andere rijksvaartuigen dan bedoeld in het eerste en tweede lid, met een lengte van ten minste 15 m doch niet meer dan 25 m moeten voldoen aan de regelen van bijlage II, met inachtneming van de regelen van de hoofdstukken 2, 3, 4 en 6 van deze bijlage. 5. Rijksvaartuigen moeten bovendien voldoen aan de regelen van hoofdstuk 7 van deze bijlage indien zij geschikt zijn om ligplaats te nemen langszijde van de volgende schepen: 6. Andere rijksvaartuigen dan bedoeld in het eerste tot en met het vierde lid, welke geschikt zijn om ligplaats te nemen langszijde van de schepen, bedoeld in het vijfde lid, moeten tevens voldoen aan de regelen van bijlage II, met inachtneming van de hoofdstukken 2, 3, 4 en 6 van deze bijlage. 7. Rijksvaartuigen met als taak rampenbestrijding, zoals brandblusvaartuigen, moeten bovendien voldoen aan de door de inspecteur-generaal met betrekking tot een bepaald schip vastgestelde aanvullende eisen, afhankelijk van de beoogde inzet en het vaargebied. In afwijking van artikel 2.06, zesde lid, van bijlage II kan worden volstaan met slechts één uitgang indien: 1. In afwijking van artikel 7.04, eerste lid
- a. schepen die ingevolge de desbetreffende bepalingen van de scheepvaartreglementen moeten zijn voorzien van een of meer blauwe lichten dan wel een of meer blauwe kegels of een seinvlag B dan wel een rood licht;
- b. schepen die gevaarlijke stoffen als bedoeld in randnummer 6000 (1) van bijlage 1 van de VBG vervoeren, met uitzondering van de gevaarlijke stoffen, bedoeld in randnummer 6002 (4), maar die niet de verplichting hebben, bedoeld onder a.
- a. het vloeroppervlak van een machinekamer of een ketelruim in totaal niet meer dan 35 m2 bedraagt;
- b. de vluchtweg vanaf elke bedieningsplaats naar de uitgangsdeur die naar de buitenlucht voert, niet meer dan 5 m lang is; en
- c. bij de plaats waar onderhoud moet worden verricht, die het verst van de uitgang is verwijderd, een draagbaar blustoestel aanwezig is, ook indien het geïnstalleerde vermogen niet meer dan 110 kW bedraagt.
- a. een stel drijvende pagaaien;
- b. een werplijn met een lengte van ten minste 30 m; en
- c. een hoosvat.
- a. deze tijdens normaal bedrijf zijn gesloten;
- b. deze zo hoog mogelijk in het schot zijn aangebracht;
- c. deze zijn voorzien van een centrale knevelsluiting; en
- d. deze zijn voorzien van het opschrift: "Gesloten houden tijdens de vaart".
- a. het vrijboord niet kleiner is dan 0,05 m; en
- b. de gecorrigeerde aanvangsmetacenterhoogte niet kleiner is dan 0,05 m.
- a. twee valschermsignalen; en
- b. drie handstakellichten.
- a. een gekompenseerd kompas;
- b. bijgewerkte zeekaarten van de gebieden waar het schip vaart;
- c. geschikte middelen voor het kaartpassen;
- d. geschikte middelen voor het bepalen van de waterdiepte;
- e. een radiotelefonie-installatie waardoor gesprekken in het openbare verkeer mogelijk zijn;
- f. drie valschermsignalen.
- a. indien in een voorschrift van naar de laadruimen of de beschermde zone gerichte openingen wordt gesproken hiermede alle openingen van de dienstruimten, de accommodatie of het stuurhuis worden bedoeld;
- b. indien in een voorschrift van beschermde zone wordt gesproken hiermede het buitendek van het schip wordt bedoeld;
- c. indien in een voorschrift een afstand wordt vermeld, deze geldt horizontaal gemeten vanaf de scheepshuid;
- d. bij een scheepsbreedte van minder dan 4,00 m de in 9.1.0.31.2, 9.1.0.34.1 en 9.1.0.41.1 genoemde openingen zich op het hart van het schip bevinden.
- a. indien in een voorschrift van naar de laadruimen of de beschermde zone gerichte openingen wordt gesproken hiermede alle openingen van de dienstruimten, de accommodatie of het stuurhuis worden bedoeld;
- b. indien in een voorschrift van beschermde zone wordt gesproken hiermede het buitendek van het schip wordt bedoeld;
- c. indien in een voorschrift een afstand wordt vermeld, deze geldt horizontaal gemeten vanaf de scheepshuid;
- d. bij een scheepsbreedte van minder dan 4,00 m de in 9.1.0.31.2, 9.1.0.34.1 en 9.1.0.41.1 genoemde openingen zich op het hart van het schip bevinden.
- a. geen vuur of onbeschermd licht aanwezig mag zijn; en
- b. het verboden is om aan boord van het schip te roken.
- a. geen vuur of onbeschermd licht aanwezig mag zijn; en
- b. het verboden is om aan boord van het schip te roken.
- a. tijdens het ligplaats nemen langszijde van schepen als bedoeld in het derde lid tevens alle toegangen vanaf dek en alle openingen van ruimten naar de buitenlucht gesloten zijn, met uitzondering van:
- 1°. aanzuigopeningen van in bedrijf zijnde motoren;
- 2°. ventilatieopeningen van machinekamers, indien de motoren in bedrijf zijn;
- 3°. ventilatieopeningen van een overdrukinstallatie als bedoeld in 9.3.3.52.3 b); en
- 4°. ventilatieopeningen, welke zijn voorzien van een gasdetectie-installatie als bedoeld in 9.3.3.52.3 b);
- b. na het aanspreken van de in onderdeel a, onder 4°, genoemde gasdetectie-installatie alle apparatuur aan boord welke niet voldoet aan de uitvoering beperkt explosieveilig, wordt uitgeschakeld en de ventilatieopeningen worden gesloten;
- c. tijdens het ligplaats nemen langszijde van schepen als bedoeld in het derde lid tevens toegangen en openingen slechts indien noodzakelijk voor korte tijd met toestemming van de schipper mogen worden geopend; en
- d. na het verlaten van de ligplaats de van dek af toegankelijke ruimten worden geventileerd op zodanige wijze dat geen gevaar voor de omgeving bestaat.
- – de bouw is voltooid,
- – de kiel is gelegd dan wel de bouw zich in een daarmee vergelijkbaar stadium bevindt, of
- – het bouwcontract is afgesloten en binnen een jaar nadien is aangevangen met de bouw.
- a. de romp en opbouw of dekhuizen inclusief stuurhuizen kunnen permanent waterdicht gesloten worden, waarbij het gebruik van houten deuren niet is toegestaan;
- b. luchtpijpen op droge tanks, met inbegrip van pieken, waarin zich apparatuur bevindt die niet beperkt explosieveilig is uitgevoerd, zijn waterdicht afsluitbaar, waarbij automatische afsluitmiddelen niet zijn toegestaan, tenzij deze tevens met de hand gesloten kunnen worden, en afsluitmiddelen waar nodig van een standaanwijzing zijn voorzien;
- c. de schoorstenen van kachels worden tot ten minste 2 m boven het blootgestelde dek opgetrokken;
- d. de voor het bedrijf noodzakelijke motoren zuigen hun verbrandingslucht direct van buiten aan, waarbij wordt voorkomen dat bij afsluiting van de luchttoevoer lucht wordt aangezogen via de motorkamer;
- e. de inlaatmonden van de voor het bedrijf noodzakelijke motoren zijn beschermd opgesteld en bevinden zich ten minste 1 m hoger dan de voeler van de explosiemeter;
- f. in de aanzuigleidingen voor de verbrandingslucht van de voortstuwingsmotoren en eventuele voor het bedrijf noodzakelijke hulpmotoren zijn vanuit het stuurhuis bedienbare afsluitinrichtingen, in de vorm van een klep of een zogenoemde noodstop direct op de motor of motoren, aangebracht, waarbij de voortstuwingsmotoren vanuit het stuurhuis ook weer in bedrijfsconditie kunnen worden gesteld;
- g. de door alarmen gecontroleerde temperatuur van de afvoergassen mag bij het verlaten van de uitlaat niet hoger zijn dan:
- 1°. 100°C indien de uitlaat zich onder het niveau van het vrijboorddek bevindt; en
- 2°. 200°C indien de uitlaat zich op een hoger niveau bevindt;
- h. om te kunnen voldoen aan het bepaalde in onderdeel g, onder 1°, worden watergeïnjecteerde uitlaten toegepast;
- i. de elektrische installatie aan dek is beperkt explosieveilig uitgevoerd;
- j. ook voor installaties met een spanning van minder dan 50 Volt zijn aan dek de normaal niet onder spanning staande metaaldelen van elektrische apparatuur, alsmede metalen mantels van kabels, geaard, met uitzondering van de onderdelen welke als gevolg van de wijze van aanbrengen met de scheepsromp metallisch zijn verbonden;
- k. de elektrische installatie aan dek welke niet nodig is voor de navigatie, behoeft niet beperkt explosieveilig te zijn, wanneer deze vanuit het stuurhuis met één schakelaar spanningloos kan worden gemaakt;
- l. de voor de conservering te gebruiken verfsoort voor de romp boven de waterlijn, opbouw en toebehoren, mag bij stootbelasting geen vonken veroorzaken;
- m. op dekniveau rondom het vaartuig is ten minste één berghout aanwezig, waarbij berghouten en apostelen vonkvrij zijn uitgevoerd;
- n. voor alle aan boord aanwezige personen zijn vluchtmaskers, die zijn voorzien van een gebruiksinstructie, aanwezig;
- o. vluchtmaskers voldoen aan de volgende eisen:
- 1°. de werking is onafhankelijk van de omgevingsatmosfeer;
- 2°. de werkingsduur is ten minste 15 minuten; en
- 3°. het masker is van een door de inspecteur-generaal goedgekeurd type;
- p. ter controle op de aanwezigheid van een mogelijk explosief gasmengsel buiten het vaartuig is een explosiemeter aan boord aanwezig die:
- 1°. vast is aangebracht met zowel optisch als akoestisch alarm nabij de stuurstand;
- 2°. bij het wegvallen van de normale spanning automatisch op een noodstroomcircuit overschakelt, tenzij de meter wordt gevoed door een batterij; en
- 3°. van een door de inspecteur-generaal goedgekeurd type is;
- q. de juiste opstellingsplaats van de bij de explosiemeter behorende explosieveilige sensor wordt in overleg met de leverancier vastgesteld;
- r. er is een werktuiglijk gedreven brandbluspomp aanwezig met ten minste één brandkraan aan dek met bijbehorende 2½' Storzkoppeling en een brandslang die is voorzien van een straalpijp of sproeier en waarvan de capaciteit en druk zodanig is dat het gehele dek met water kan worden bestreken;
- s. meertrossen zijn vervaardigd van plantaardige vezels, met inbegrip van Manilla;
- t. duidelijke opschriften met de tekst «Gesloten houden langszijde van schepen met gevaarlijke stoffen» zijn geplaatst bij alle openingen en toegangen in dek en opbouw; en
- u. aan boord is het boek «Vervoer van gevaarlijke stoffen over de binnenwateren» aanwezig.
- a. voor bestaande rijksvaartuigen de in de genoemde tabellen vermelde overgangsvoorschriften en termijnen gelden;
- b. bestaande rijksvaartuigen voor 1 januari 1999 aan de voorschriften van alle niet in de genoemde tabellen vermelde randnummers voldoen;
- c. bouw en uitrusting van bestaande rijksvaartuigen ten minste op de huidige stand met betrekking tot de veiligheid worden gehouden;
- d. de conform de voor 15 maart 1998 geldende voorschriften afgegeven Certificaten van Goedkeuring, bedoeld in bijlage 1 van de VBG, tot de daarin vermelde afloopdatum geldig blijven;
- e. in de tabellen «N.V.O.» betekent dat het voorschrift niet van toepassing is op in bedrijf zijnde rijksvaartuigen, tenzij de desbetreffende delen worden vervangen of omgebouwd, met dien verstande dat het voorschrift slechts van toepassing is op nieuwbouw, bij vervanging of bij ombouw, en in zoverre dat indien bestaande delen worden vervangen door delen die in techniek en bouwwijze gelijk zijn, dit geen vervanging betekent in de zin van de overgangsvoorschriften.