Bijlage V Bsb: van het Binnenschepenbesluit
Technische regelen voor veerboten De definities van artikel 1.01 van bijlage III zijn van toepassing. 1. Veerboten moeten voldoen aan de desbetreffende regelen van deze bijlage. 2. Voorts moeten veerboten voldoen aan de desbetreffende regelen van bijlage II en III, met inachtneming van de uitzonderingen genoemd in het derde en vierde lid. 3. Artikel 13.01 van bijlage II is niet van toepassing op veerboten. 4. De volgende regelen van bijlage III zijn niet van toepassing op veerboten: artikel 2.01; artikel 4.01, tweede tot en met vierde lid; artikel 4.02, eerste en tweede lid; artikel 4.05; artikel 5.01; artikel 5.02; artikel 5.03; artikel 6.01, eerste lid; artikel 8.01, tweede lid, eerste zin; artikel 8.03, tweede lid; artikel 10.08, vijfde lid; artikel 11.01; artikel 11.02; artikel 11.03; artikel 11.04; artikel 11.05; en artikel 11.06. 1. Voor veerboten moet het drijfvermogen in geval van lek voor alle voorziene beladingstoestanden worden aangetoond overeenkomstig artikel 2.02 van bijlage III. Bij de vaststelling van de beladingstoestanden dient rekening te worden gehouden met het gestelde in artikel 3.02. 2. In afwijking van het bepaalde in artikel 2.02, eerste lid, van bijlage III moet bij de lekberekening worden uitgegaan van de volgende beschadigingsomvang: 3. Alle langs- en dwarsschotten, alsmede dekken en tankbegrenzingen, die zijn gelegen binnen de in het tweede lid genoemde beschadigingsomvang dienen als lek te worden gerekend. 4. Ongeacht de beschadigingsomvang, genoemd in het tweede lid, moet het schip bovendien voldoen aan de ééncompartimentsstandaard zoals voorgeschreven in artikel 2.02 van bijlage III. 5. In afwijking van het bepaalde in artikel 3.02 van bijlage III, zullen deuren in waterdichte schotten onder het schottendek niet worden toegestaan. Wanneer naar het redelijk oordeel van de inspecteur-generaal blijkt dat een deur in een waterdicht schot voor de bedrijfsvoering van het schip noodzakelijk is, kan voor zulk een deur die geheel boven het vla
- a. in de zijden van het schip:
- - in de langsrichting 0,10 Lwl, echter niet minder dan 7,50 m;
- - in de breedterichting, horizontaal gemeten op het vlak van de grootste inzinking, 1,00 m;
- - in de hoogterichting, gerekend vanaf de basis, onbegrensd.
- b. in het vlak van het schip: Onder lensputten mag de hoogte tot 0,50 m verminderd worden; in dat geval mag de inhoud van een lensput niet meer bedragen dan 0,05 m3.
- - in de langsrichting 0,10 Lwl, echter niet minder dan 7,50 m;
- - in de breedterichting 0,20 Bwl, echter niet minder dan 3,00 m;
- - in de hoogterichting 0,60 m, gemeten vanaf de basis.
- a. een dwarsscheepse verplaatsing van het ten hoogste toegestane aantal personen, als bedoeld in artikel 3.04;
- b. een winddruk als bedoeld in artikel 4.03 van bijlage III; en
- c. een middelpuntvliedende kracht veroorzaakt door roergeven als bedoeld in artikel 4.04 van bijlage III.
- a. een dwarsscheepse verplaatsing van het ten hoogste toegestane aantal passagiers, als bedoeld in artikel 3.04;
- b. een winddruk, als bedoeld in artikel 4.03 van bijlage III; en
- c. een belading met een voertuig, als bedoeld in artikel 3.05, tweede lid.
- a. de inzinking, vertikaal gemeten, die ontstaat ten gevolge van de slagzij volgens de regelen van de artikelen 3.01, 3.02 en 3.03; en
- b. het resterend vrijboord, bedoeld in artikel 4.01. Het vrijboord moet evenwel ten minste 0,40 m bedragen.
- a. de inzinking, vertikaal gemeten, die ontstaat ten gevolge van de slagzij volgens de regelen van de artikelen 3.01, 3.02 en 3.03; en
- b. de resterende veiligheidsafstand, bedoeld in artikel 4.01.
- a. De voor voertuigen bestemde dekken moeten ten minste een beschikbare breedte b in mm hebben volgens onderstaande formules: b = r . n + 500 b gemeten tussen de wanden, verschansingen of hekwerken, b = r . (n - 2) + 2 . s b gemeten tussen de opstaande randen van de voetpaden (stoepen, trottoirs), met dien verstande dat b voor slechts een enkele opstelstrook tussen de opstaande randen s mm bedraagt. In deze formules betekent: n = het aantal opstelstroken; r = breedte opstelstrook voor personenauto’s 2 150 mm, voor vrachtauto's, bussen e.d. 3 050 mm; s = breedte opstelstrook voor personenauto’s 1 950 mm, voor vrachtauto's, bussen e.d. 2 850 mm. De maten r en s gelden voor een hoogte vanaf het rijdek van 2 000 mm voor personenauto’s en 3 000 mm voor vrachtauto's, bussen e.d.
- - bij verhoogde voetpaden (stoepen, trottoirs) met een breedte van 0 tot 450 mm:
- - bij verhoogde voetpaden (stoepen, trottoirs) met een breedte van 450 mm of meer:
- b. De opstelstroken op de voor voertuigen bestemde dekken moeten duidelijk gemarkeerd zijn. Indien een dek meer dan twee opstelstroken heeft moeten de markeringsstrepen van de buitenste stroken zich op een afstand van ten minste 2400 mm voor personenauto’s en 3300 mm voor vrachtauto's, bussen e.d. van een wand, verschansing of hekwerk bevinden. Bij aanwezigheid van een verhoogd voetpad (stoep, trottoir) moet echter tevens de afstand van de markeringsstreep tot de opstaande rand ten minste 1950 respectievelijk 2850 mm bedragen. De breedte van de opstelstroken wordt gemeten op het hart van de markeringsstrepen. Mits de markeringsstrepen zich duidelijk onderscheiden, zijn verschillende indelingen voor personenauto’s en vrachtauto's, bussen e.d. mogelijk.
- c. Op plaatsen waar door aanwezige constructies niet kan worden voldaan aan de onder a en b bedoelde breedte van de opstelstroken geldt een opstelverbod. Dit moet door markeringen op het dek zijn aangegeven. Een afwijking van dit voorschrift kan worden toegestaan, indien wordt aangetoond dat de voertuigen veilig kunnen worden verlaten.
- a. zij moeten voldoende ruimte bieden voor het zittend plaatsnemen van het ten hoogste toegestane aantal opvarenden;
- b. zij moeten van een zodanige vorm zijn dat zich in het water bevindende personen aan boord kunnen komen;
- c. zij moeten zijn voorzien van met de veerboot verbonden lijnen teneinde ontijdig afdrijven te voorkomen; en
- d. zij moeten zijn voorzien van middelen om de aandacht op zich te vestigen, zoals bijvoorbeeld met de mond aangeblazen seinmiddelen.
- a. een goed functionerende radarinstallatie en bochtaanwijzer;
- b. in elk stuurhuis een clinometer.
- - artikel 2.01, tweede, derde en vijfde lid;
- - artikel 6.01, vierde en vijfde lid;
- - artikel 6.02;
- - artikel 6.03.
- - artikel 3.01;
- - artikel 3.02;
- - artikel 3.03;
- - artikel 3.04;
- - artikel 3.05;
- - artikel 4.01;
- - artikel 4.02;
- - artikel 4.03;
- - artikel 5.01, eerste en tweede lid;
- - artikel 6.01, eerste, tweede en derde lid en negende lid met uitzondering van de eerste zin onder b;
- - artikel 7.06.
- - artikel 6.01, negende lid onder b eerste zin en tiende lid;
- - artikel 7.01, eerste lid;
- - artikel 7.02;
- - artikel 7.03, tweede lid;
- - artikel 7.04;
- - artikel 7.05;
- - artikel 7.07.
- - artikel 3.01, tweede lid;
- - artikel 3.02, eerste en tweede lid;
- - artikel 3.03, eerste lid;
- - artikel 4.01, eerste lid;
- - artikel 4.02, derde, vierde en vijfde lid;
- - artikel 4.03;
- - artikel 4.04;
- - artikel 5.04;
- - artikel 6.01, tweede, derde en vierde lid;
- - artikel 7.01, tweede lid;
- - artikel 7.03;
- - artikel 8.04;
- - artikel 9.01;
- - artikel 9.02;
- - artikel 9.03;
- - artikel 9.04;
- - artikel 9.05;
- - artikel 9.06;
- - artikel 9.07;
- - artikel 9.08;
- - artikel 9.09;
- - artikel 9.10;
- - artikel 10.03, eerste lid;
- - artikel 10.07.