Bijlage III Bsb: technische regelen voor passagiersschepen
INHOUDSOPGAVE Hoofdstuk 1. Algemeen 1.01. Definities 1.02. Toepassing van de regelen 1.03. Algemene regelen Hoofdstuk 2. Waterdichte indeling van het schip 2.01. Algemene regel 2.02. Regelen betreffende de waterdichte indeling Hoofdstuk 3. Regelen betreffende de schotten 3.01. Algemene regelen 3.02. Openingen en deuren in schotten 3.03. Doorvoeringen van pijpleidingen 3.04. Sprongen en nissen in schotten 3.05. Aantekening in het certificaat Hoofdstuk 4. Stabiliteit 4.01. Algemene regelen 4.02. Kenterend moment ten gevolge van verplaatsen van personen 4.03. Kenterend moment ten gevolge van winddruk 4.04. Kenterend moment ten gevolge van roer geven 4.05. Resterend vrijboord en resterende veiligheidsafstand 4.06. Stabiliteit in lekke toestand Hoofdstuk 5. Vrijboord, veiligheidsafstand en inzinkingsmerken 5.01. Vrijboord 5.02. Veiligheidsafstand 5.03. Vlak van de grootste inzinking 5.04. Inzinkingsmerken Hoofdstuk 6. Ten hoogste toegestane aantal passagiers 6.01. Berekening van het ten hoogste toegestane aantal passagiers 6.02. Aanduiding op het schip Hoofdstuk 7. Bijzondere voorzieningen voor passagiers 7.01. Beveiliging tegen vallen 7.02. Toegangen, uitgangen en verbindingswegen 7.03. Deuren 7.04. Vluchtwegmarkering 7.05. Toiletten 7.06. Ruimten niet toegankelijk voor passagiers Hoofdstuk 8. Reddingmiddelen 8.01. Reddingboeien 8.02. Reddingvesten 8.03. Gemeenschappelijke reddingmiddelen 8.04. Bijboot Hoofdstuk 9. Brandbescherming en brandbestrijding 9.01. Scheidingswanden en beschietingen 9.02. Trappen en trappenschachten 9.03. Ruimten met verhoogd brandrisico 9.04. Materialen 9.05. Onderverdeling van gangen 9.06. Machinekamers en autoruimen 9.07. Ventilatiesystemen 9.08. Brandmeldinstallatie 9.09. Brandbluspompen en -leidingen 9.10. Vaste brandblusinstallatie van autoruimen 9.11. Draagbare blustoestellen Hoofdstuk 10. Nadere regelen 10.01. Verlichting 10.02. Electrische installatie 10.03. Noodkrachtinstallatie 10.04. Interne communicatie 10.05. Luidsprekers 10.06. Ra
- a. breedte Bwl: de grootste breedte van de romp, gemeten op de buitenkant van de spanten op of onder het vlak van de grootste inzinking;
- b. diepgang T: de verticale afstand tussen het laagste punt van de romp, gemeten aan de onderkant van de spanten of vrangen (basislijn), tot het vlak van de grootste inzinking van het schip;
- c. hotelschip: een passagiersschip dat voor overnachting der passagiers is ingericht;
- d. schottendek: het dek tot hetwelk de voorgeschreven waterdichte schotten zijn opgetrokken en vanaf hetwelk het vrijboord wordt gemeten.
- – voor passagiers- en bemanningsverblijven: 95%
- – voor machinekamers en ketelruimen: 85%
- – voor laad-, bagage- en voorraadruimen: 75%
- – voor dubbele bodems, oliebunkers en andere tanks, al naar gelang deze tanks uit hoofde van hun bestemming bij het afgeladen schip als vol of ledig moeten worden aangenomen: 0 of 95%
- a. een dwarsscheepse verplaatsing van alle zich aan boord bevindende personen, als bedoeld in artikel 4.02,
- b. een winddruk als bedoeld in artikel 4.03 en
- c. middelpuntvliedende kracht veroorzaakt door roergeven, als bedoeld in artikel 4.04 niet meer dan 12° bedraagt.
- a. de inzinking die door de volgens artikel 4.01, tweede lid, berekende slagzij, gemeten langs de scheepshuid, ontstaat en
- b. het resterend vrijboord volgens artikel 4.05.
- a. de inzinking die door de volgens artikel 4.01, tweede lid, berekende slagzij, gemeten langs de scheepshuid, ontstaat en
- b. de resterende veiligheidsafstand volgens artikel 4.05.
- a. voor schepen die geen schottendek hebben, tot het laagste punt van de bovenkant van het scheepsboord in zone 2 : 0,80 m, in zone 3 : 0,50 m, in zone 4 : 0,40 m;
- b. tot niet waterdicht afsluitbare openingen in zone 2 : 0,60 m, in zone 3 : 0,30 m, in zone 4 : 0,30 m;
- c. tot de onderzijde van poorten en ramen, die zich in de scheepshuid bevinden en die kunnen worden geopend in zone 2 : 0,30 m, in zone 3 : 0,25 m, in zone 4 : 0,20 m.
- a. de oppervlakken van gangen, trappen en andere verbindingswegen;
- b. de oppervlakken onder trappen;
- c. de oppervlakken die blijvend door uitrustingsstukken en meubilair worden ingenomen en
- d. de oppervlakken onder bijboten, reddingboten, reddingvlotten en dergelijke, ook wanneer deze zo hoog zijn geplaatst, dat de passagiers zich daaronder kunnen ophouden.
- a. een drijfvermogen in zoetwater van tenminste 7,5 kg per persoon hebben;
- b. van geschikt materiaal zijn vervaardigd en bestand zijn tegen de inwerking van olie en olieprodukten alsmede tegen temperaturen tot 50°C;
- c. zo nodig zijn voorzien van handvatten of grijplijnen en
- d. bij iedere mogelijke belasting een stabiele ligging in het water innemen en behouden.
- a. een drijfvermogen in zoet water van tenminste 10 kg per persoon hebben;
- b. voldoen aan de regelen van het vierde lid, onder b en c;
- c. uit tenminste twee gescheiden luchtkamers bestaan;
- d. bij het te water komen zich automatisch opblazen of door handbediening eenvoudig en betrouwbaar opgeblazen kunnen worden en
- e. bij iedere mogelijke belasting, ook wanneer slechts de helft van de luchtkamers is opgeblazen, een stabiele ligging in het water innemen en behouden.
- a. in salons, eetzalen en soortgelijke ruimten voor elke 100 m2 vloeroppervlakte of deel daarvan een blustoestel;
- b. in verbindingsgangen, portalen en trappenschachten van hotelschepen per tien passagiershutten of minder een blustoestel.
- a. de plaatsen waar gemeenschappelijke reddingmiddelen worden bewaard en waar zij normaal voor het gebruik worden gereedgemaakt;
- b. uitgangen, verbindingsgangen en trappen van passagiers- en bemanningsverblijven;
- c. de vluchtwegmarkeringen;
- d. de machinekamers en hun uitgangen;
- e. het stuurhuis;
- f. de ruimte voor de noodkrachtbron;
- g. de plaatsen waar zich brandbluspompen en blustoestellen bevinden;
- h. de ruimten waar de passagiers en de bemanning zich in noodgevallen verzamelen.
- a. in iedere hut;
- b. in gangen, portalen, liften en trappenschachten op zodanige afstanden dat steeds binnen 10 m een schakelaar bereikbaar is met dien verstande dat er niet minder dan een schakelaar per waterdichte afdeling is;
- c. in verblijfsruimten, zoals salons en eetzalen;
- d. in machinekamers, keukens en andere ruimten met verhoogd brandrisico.
- – reddingmiddelen en veiligheidsuitrusting,
- – waterdichte deuren benedendeks en hun bedieningsplaatsen,
- – brandkleppen in luchtleidingen,
- – branddeuren,
- – alarminstallaties,
- – brandmeldsysteem,
- – brandblusinstallaties en blustoestellen,
- – verbandkist,
- – vluchtwegen en vluchtuitgangen,
- – noodkrachtbron,
- – schakelaars van ventilatiesystemen,
- – walaansluitingen,
- – afsluiters van de brandstoftoevoerleidingen,
- – vloeibaargasinstallaties,
- – luidsprekerinstallaties,
- – radiotelefonieinstallaties.
- a. een gecompenseerd kompas;
- b. bijgewerkte zeekaarten van de gebieden waar het schip vaart;
- c. geschikte middelen voor het kaartpassen;
- d. geschikte middelen voor het bepalen van de waterdiepte;
- e. een zoeklicht indien ook na zonsondergang wordt gevaren;
- f. een radio-ontvanger waarmee de weerberichten kunnen worden ontvangen.
- a. voor de vaststelling van de coëfficiënt C in plaats van het laadvermogen de totale waterverplaatsing moet worden genomen en
- b. de waarde van P wordt verhoogd met 4. A waarin A betekent het frontale windvangend oppervlak in m2.