Bijlage II Bsb: van het Binnenschepenbesluit
Hoofdstuk 1 Algemeen 1.01. Toepassing van de regelen Hoofdstuk 2 Scheepsbouwkundige eisen 2.01. Algemene regel 2.02. Scheepsromp 2.03. Verwarmings-, kook- en koelinstallaties 2.04. Verwarming met vloeibare brandstoffen met een vlampunt boven 55°C 2.05. Verwarming met vaste brandstof 2.06. Machinekamers, ketelruimen en bunkers Hoofdstuk 3 Stuurinrichting en stuurhuis 3.01. Algemene regelen 3.02. Vermogen van de stuurinrichting 3.03. Algemene regelen voor de constructie 3.04. Mechanisch gedreven stuurinrichtingen 3.05. Inschakeling van de tweede aandrijving 3.06. Handaandrijving 3.07. Hand-hydraulische aandrijving 3.08. Hydraulische aandrijving 3.09. Electrische aandrijving 3.10. Roerpropeller- en Voith-Scheneiderinstallaties 3.11. Afstandsbediening 3.12. Roerstandaanwijzer 3.13. Hulpstuurinrichting 3.14. Vrij uitzicht vanuit het stuurhuis 3.15. Geluidsniveau in het stuurhuis 3.16. Electrisch gedeelte van de stuurinrichtingen 3.17. Neerlaatbare stuurhuizen Hoofstuk 4 Vrijboord, veiligheidsafstand en diepgangsschalen 4.01. Definities 4.02. Veiligheidsafstand 4.03. Vrijboord 4.04. Inzinkingsmerken 4.05. Diepgangsschalen Hoofdstuk 5 Werktuigbouwkundige eisen 5.01. Algemene regelen 5.02. Veiligheid 5.03. Voortstuwingsinstallaties 5.04. Uitlaatgassenleidingen van motoren 5.05. Tanks, bunkers en pijpleidingen 5.06. Lensinrichtingen 5.07. Inrichting voor het verzamelen van afgewerkte olie 5.08. Lieren 5.09. Door schepen voortgebracht geluid Hoofdstuk 6 Electrische installaties 6.01. Algemene regelen 6.02. Bescherming tegen aanraking en water 6.03. Bescherming tegen explosie 6.04. Aarding 6.05. Ten hoogste toegestane spanningen 6.06. Verdeelsystemen 6.07. Walaansluiting 6.08. Stroomlevering aan andere schepen 6.09. Generatoren en motoren 6.10. Accumulatoren 6.11. Schakelinrichtingen 6.12. Noodstopschakelaars 6.13. Installatiemateriaal 6.14. Kabels 6.15. Verlichtingsinstallaties 6.16. Navigatieverlichting 6.17. Noodkrachtbron Hoofdstuk 7 Uitrusting 7.01. Ankergerei 7.02. Overi
- a. een aanvaringsschot op een redelijke afstand van de voorsteven;
- b. een achterpiekschot op een redelijke afstand van de achtersteven.
- a. bij het in bedrijf stellen moet de ventilator eerst afzonderlijk functioneren, zodat de verbrandingsruimte goed wordt geventileerd;
- b. de brandstoftoevoer moet door een thermostatische regelaar worden geregeld;
- c. de ontsteking moet, al of niet door een waakvlam, automatisch geschieden;
- d. de ventilator en de inspuitpomp moeten buiten de opstellingsruimte op een gemakkelijk toegankelijke plaats kunnen worden afgezet;
- e. de kachel dient zodanig te zijn opgesteld, dat een uit de verbrandingsruimte terugslaande vlam geen andere delen van de machinekamerinstallatie kan bereiken.
- a. indien de stuurinrichting is voorzien van een handaandrijving, moet een omwenteling van het handstuurwiel overeenkomen met een roeruitslag van tenminste 3°;
- b. indien de stuurinrichting is voorzien van een mechanische aandrijving, moet bij de maximale indompeling van het roer en bij volle snelheid van het schip een gemiddelde hoeksnelheid van het roer van 4° per seconde over het volledige bereik van de mogelijke roeruitslag kunnen worden bereikt;
- c. indien de stuurinrichting is voorzien van een hulpstuurinrichting als bedoeld in artikel 3.13, moet bij de maximale indompeling van het roer en bij volle snelheid van het schip een gemiddelde hoeksnelheid van het roer van 3° per seconde over het bereik van de roeruitslag van 30° stuurboord tot 30° bakboord kunnen worden bereikt;
- d. indien de tweede aandrijving van een mechanisch gedreven stuurinrichting een handaandrijving is, moet het schip met behulp van deze handaandrijving met verminderde snelheid een aanlegplaats kunnen bereiken.
- a. de afmetingen, constructie en aanleg van de pijpleidingen moeten zodanig zijn, dat beschadiging door mechanische invloeden of brand is uitgesloten;
- b. door de constructie van de stuurwielpomp moet een onberispelijke werking zijn gewaarborgd.
- a. hoofdpomp gedreven door hoofdmotor en tweede pomp electrisch gedreven;
- b. hoofdpomp vanuit electrisch hoofdnet gedreven en tweede pomp vanuit electrisch noodnet;
- c. hoofdpomp door generator I gedreven en tweede pomp door generator II.
- a. de hulpstuurinrichting moet vanaf de stuurstelling bij elke willekeurige stand van het roer in- en uitgeschakeld kunnen worden. Het moet duidelijk zijn aangegeven of de inrichting "aan" of "uit" is;
- b. de electrische, hydraulische en pneumatische verbindingscomponenten tussen de hulpstuurinrichting en de handgedreven hoofdstuurinrichting moeten zodanig zijn, dat bij wegvallen van spanning of druk de mogelijkheid tot onmiddellijke bediening van de hoofdstuurinrichting niet nadelig wordt beïnvloed. Ook andere storingen in de hulpstuurinrichting mogen niet het uitvallen of blokkeren van de hoofdstuurinrichting tot gevolg hebben;
- c. de bestaande en de nieuw ingebouwde onderdelen van de hulpstuurinrichting moeten voldoen aan de voor stuurinrichtingen in dit hoofdstuk vastgelegde regelen.
- a. Het vrije gezichtsveld vanaf de plaats waar de roerganger zich gewoonlijk bevindt moet ten minste 240° van de horizon bedragen. Daarvan moet een gezichtsveld van ten minste 140° binnen de voorste halve cirkel liggen.
- b. In de normale zichtas van de roerganger mogen zich geen vensterstijlen, steunen of opbouwen bevinden.
- c. Indien, ook in het geval van een vrij zichtveld van 240° of meer, geen voldoende vrij uitzicht naar achteren is gewaarborgd, kan de inspecteur-generaal andere maatregelen eisen, zoals de inbouw van optische hulpmiddelen.
- a. voor stuurmachines met intermitterende belasting:
- - motoren van electro-hydraulische aandrijvingen, alsmede de bijbehorende omvormers, moeten voor continubedrijf met een belastingperiode en een inschakelduur van 15% zijn ontworpen; de duur van een arbeidsperiode moet daarbij op 10 minuten worden gesteld;
- - motoren voor de directe aandrijving van een stuurinrichting moeten voor het belaste bedrijf en een inschakelduur van 15%, waarbij de invloed van de zwaardere belasting gedurende de versnellingsperiode wordt verwaarloosd, zijn ontworpen; daarbij moet de duur van een arbeidsperiode op 10 minuten worden gesteld;
- b. voor stuurmachines met constante belasting:
- - de motoren moeten voor continu bedrijf van onbeperkte duur zijn ontworpen.
- a. bij toepassing van smeltveiligheden moet de waarde van de smeltveiligheid twee trappen hoger dan de nominale stroom van de electromotor zijn gekozen. Bij motoren voor kortstondige of intermitterende belasting mag de veiligheid echter niet meer dan 160% van het nominale vermogen bedragen;
- b. de kortsluitbeveiliging mag bij toepassing van maximaalschakelaars op niet meer dan tien maal de nominale stroom van de electromotor zijn ingesteld.
- a. een groene lamp die aangeeft of het aggregaat in bedrijf is;
- b. een rode lamp die gaat branden wanneer de stuurinrichting uitvalt, onopzettelijk wordt uitgeschakeld, wanneer de electromotor wordt overbelast en/of bij draaistroom-installaties fase-uitval plaatsvindt. Bij het branden van de rode lamp moet tegelijkertijd een akoestisch signaal worden gegeven. De signalering voor de fase-uitval mag achterwege blijven, wanneer de voeding uitsluitend via maximaalschakelaars geschiedt.
- a. lengte: de grootste lengte van de romp, roer en boegspriet niet inbegrepen;
- b. midscheeps: het midden van de lengte;
- c. spatwater- en regendicht: een zodanige uitvoering van constructiedelen en inrichtingen, dat zij onder normale omstandigheden slechts een onbeduidende hoeveeldheid water doorlaten.
- a. voor openingen en deuren, die tenminste spatwater- en regendicht kunnen worden gesloten, uitgezonderd ruimluiken: 0,15 m;
- b. voor openingen en deuren, die niet tenminste spatwater- en regendicht kunnen worden gesloten, uitgezonderd ruimluiken: 0,20 m;
- c. voor ruimluiken die tenminste spatwater- en regendicht kunnen worden gesloten: 0,30 m;
- d. voor ruimluiken die niet tenminste spatwater- en regendicht kunnen worden gesloten, dan wel niet gesloten zijn (open ruim): 0,50 m.
- - voor schepen waarvan de lengte minder dan 40 meter bedraagt, met twee paar merken worden volstaan die op ongeveer een vierde van de lengte achter de voorsteven, respectievelijk vóór de achtersteven zijn aangebracht;
- - voor schepen die niet bestemd zijn voor het vervoer van goederen, met één paar merken worden volstaan die ongeveer midscheeps zijn geplaatst.
- a. leidingen voor stoom of voor hydraulische systemen, mits zij binnen een metalen mantelpijp zijn aangebracht en
- b. leidingen van vloeibaar-gasinstallaties voor huishoudelijk gebruik.
- - overzichtschema’s (hoofdschakelbord, noodschakelbord, verdeelkasten),
- - gegevens betreffende de vermogens van de electrische apparaten en
- - soort en doorsnede van de kabels.
- a. voor krachtinstallaties waarvan het vermogen zulks vereist;
- b. voor speciale installaties, bijvoorbeeld radio-installaties en onstekingsinrichtingen
- - Voor gelijkstroom en 1-fase wisselstroom:
- a. twee geleiders waarvan één is geaard;
- b. één geleider met teruggeleiding via de scheepsromp, alleen voor plaatselijk begrensde installaties (bijvoorbeeld startinstallatie van een verbrandingsmotor en kathodische corrosiebescherming);
- c. twee geleiders geïsoleerd van de scheepsromp.
- - Voor draaistroom (3-fase wisselstroom):
- a. vier geleiders met geaard sterpunt zonder teruggeleiding via de scheepsromp;
- b. drie geleiders geïsoleerd van de scheepsromp.
- a. de te treffen maatregelen voor het tot stand brengen van de walaansluiting;
- b. stroomsoort, nominale spanning en bij wisselstroom bovendien de frequentie.
- a. Alle apparaten, schakelaars, veiligheden en instrumenten in schakelborden moeten overzichtelijk gerangschikt en ten behoeve van het onderhoud en reparatie toegankelijk zijn. De aansluitklemmen voor spanningen tot en met 50 V en die voor spanningen boven 50 V moeten van elkaar gescheiden zijn aangebracht en doelmatig zijn gekenmerkt.
- b. Op de schakelborden moeten naamplaatjes voor alle schakelaars en apparaten met de aanduiding van de stroomkring zijn aangebracht. Veiligheden moeten met de nominale stroomsterkte en de stroomkring zijn aangeduid.
- c. Indien zich achter de deuren apparaten met een bedrijfsspanning van meer dan 50 V bevinden, moeten de onder spanning staande delen van deze apparaten zodanig zijn opgesteld of afgeschermd dat onvoorzien aanraken bij geopende deuren wordt voorkomen.
- d. De materialen van schakelborden moeten mechanisch sterk, duurzaam, moeilijk ontvlambaar en niet hygroscopisch zijn.
- a. Generator- en afgaande groepen moeten in elke niet geaarde geleider tegen kortsluiting en overbelasting beveiligd zijn. Daartoe kunnen schakelinrichtingen met kortsluit- en overbelastingbeveiliging of smeltveiligheden worden gebruikt. Stroomkringen van de electrische aandrijving van stuurinrichtingen, alsmede de stuurstroomkringen van stuurinrichtingen, mogen alleen tegen kortsluiting zijn beveiligd. Indien schakelaars met thermische uitschakelinrichtingen worden toegepast, moeten de thermische uitschakelinrichtingen buiten bedrijf zijn gesteld of op tweemaal de nominale stroom zijn afgesteld.
- b. De afgaande groepen van het hoofdschakelbord van meer dan 16 A moeten van last- of maximaalschakelaars zijn voorzien.
- c. Verbruikers die voor de voortstuwing, de stuurinrichting, de navigatie en de beveiligingssystemen noodzakelijk zijn, alsmede de verbruikers met een nominale stroom van meer dan 16 A, moeten via afzonderlijke stroomkringen worden gevoed.
- d. Schakelinrichtingen moeten volgens hun nominale stroom, hun thermische en dynamische sterkte, alsmede hun schakelvermogen worden gekozen. Schakelaars moeten alle onder spanning staande geleiders gelijktijdig schakelen. De stand moet duidelijk te onderscheiden zijn.
- e. Smeltveiligheden moeten van het gesloten type zijn en uit een keramisch of gelijkwaardig materiaal bestaan. Zij moeten zonder aanrakingsgevaar voor personen kunnen worden vervangen.
- a. Voor generator-, batterij- en verdeelstroomkringen moeten meet- en controle-inrichtingen aanwezig zijn, voor zover dit voor een veilig bedrijf van de installatie noodzakelijk is.
- b. Niet-geaarde netten met een spanning boven 50 V moeten van een doelmatige aardfoutcontrole-inrichting zijn voorzien.
- a. Schakelborden moeten in goed toegankelijke en goed geventileerde ruimten zijn opgesteld. Zij moeten zodanig zijn geplaatst, dat zij tegen waterschade en mechanische beschadigingen zijn beschermd. Pijpleidingen en ventilatiekokers moeten zodanig zijn geplaatst, dat de schakelborden bij lekkages geen gevaar lopen. Indien de ligging in de nabijheid van schakelborden niet vermeden kan worden, mogen de pijpen aldaar geen losneembare koppelingen hebben.
- b. Kasten of nissen waarin open schakelinrichtingen zijn ondergebracht, moeten uit moeilijk ontvlambaar materiaal bestaan, dan wel door een bekleding van metaal of een ander niet brandbaar materiaal zijn beschermd.
- c. Bij spanningen boven 50 V moeten vóór de bedieningszijde van het hoofdschakelbord isolerende roosters of matten liggen. Op de voorzijde van de borden mogen geen onder spanning staande delen zijn aangebracht.
- a. een aggregaat met een eigen van de hoofdmotor onafhankelijke brandstofvoorziening en onafhankelijk koelsysteem. Dit aggregaat moet bij uitvallen van het hoofdnet automatisch aanlopen en binnen 30 seconden de stroomvoorziening automatisch kunnen overnemen, dan wel, indien het zich bevindt in de onmiddellijke nabijheid van het stuurhuis of een andere plaats, waar voortdurend vakpersoneel aanwezig is, met de hand kunnen worden gestart, of
- b. een accumulatorbatterij die bij uitvallen van het hoofdnet automatisch de stroomvoorziening overneemt en in staat is de in het vijfde lid bedoelde installaties gedurende de voorgeschreven tijd zonder tussentijdse oplading en zonder ontoelaatbaar spanningsverlies te voeden. De voor de noodkrachtvoorziening benodigde bedrijfsduur wordt bepaald naar gelang van het gebruiksdoel van het schip of drijvende werktuig, maar mag niet minder dan 30 minuten bedragen.
- a. navigatielichten,
- b. installaties voor geluidseinen,
- c. noodverlichting,
- d. radiotelefonieinstallatie,
- e. algemene alarminstallatie, respectievelijk een daartoe geschikte luidsprekerinstallatie,
- f. noodschijnwerpers,
- g. sprinklerinstallatie,
- h. overige veiligheidsinstallaties.
- - schepen waarvoor het volgens de voorgaande leden berekende gewicht van het hekanker minder dan 100 kg bedraagt;
- - duwbakken.
- - voor schepen met een lengte van 30 m of minder: 40 m;
- - voor schepen met een lengte van meer dan 30 m, doch minder dan 50 m: de lengte van het schip, vermeerderd met 10 m;
- - voor schepen met een lengte van 50 m of meer: 60 m.
- - bij ankers van 1 t/m 500 kg: R = 350.Pa
- - bij ankers van 501 t/m 2000 kg:
- - bij ankers van meer dan 2000 kg: R = 250.Pa In deze formules betekent: R: de minimaal vereiste breeksterkte van de ketting, in newton; Pa: het conform het eerste t/m zevende lid bepaalde theoretische gewicht van het betreffende anker.
- a. de nodige apparaten en inrichtingen voor het voeren van navigatielichten en optische tekens, alsmede voor het geven van geluidsseinen, zoals voorgeschreven in de vigerende politie- en vaarreglementen;
- b. noodlichten, onafhankelijk van het elektrische hoofdnet, om eventueel de lichten te vervangen die door de vigerende politie- en vaarreglementen zijn voorgeschreven voor stilliggende, vastgevaren of gezonken schepen;
- c. trossen en touwen, in soort, dikte en lengte afhankelijk van het type en de afmetingen van het schip;
- d. een lekkleed, behalve indien volgens een aantekening in het certificaat het schip daarvan is vrijgesteld;
- e. een loopplank, tenminste 4,0 m lang en 0,4 m breed, voorzien van lichtgeschilderde banden langs de zijkanten en van een handreling;
- f. drijvende fenders of wrijfhouten;
- g. een bootshaak;
- h. een verbandtrommel met een inhoud overeenkomstig het daaromtrent bepaalde door de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, tenzij het onbemande schepen, zoals pontons, betreft;
- i. een verrekijker;
- j. een bord met aanwijzingen betreffende het redden en bijbrengen van drenkelingen;
- k. een metalen kist of trommel met deksel voor het bewaren van oliehoudende poetslappen;
- l. een werplijn;
- m. een bijl.
- a. in het stuurhuis;
- b. in de nabijheid van elke toegang van het dek naar de verblijven;
- c. in de nabijheid van de toegangen tot bedrijfsruimten die niet van de verblijven uit toegankelijk zijn en waarin zich verwarmings-, kook- of koelinstallaties bevinden die werken op vaste of vloeibare brandstoffen, dan wel op vloeibaar gas;
- d. in de nabijheid van elke toegang tot machinekamers of ketelruimen;
- e. op een geschikte plaats benedendeks in een machinekamer, indien het daarin geïnstalleerde motorvermogen meer dan 110 kW bedraagt.
- a. de capaciteit van de draagbare blustoestellen met vloeistofvulling mag niet groter dan 13,5 l en niet kleiner dan 9 l zijn; het vulgewicht van poederblussers moet tenminste 6 kg bedragen;
- b. het blusmiddel moet tenminste geschikt zijn voor het bestrijden van die soort brand die in de ruimte of ruimten waarvoor het blustoestel hoofdzakelijk is bestemd, het eerst te vrezen is. Op schepen met electrische installaties met een netspanning van meer dan 50 V moet het blusmiddel tevens geschikt zijn voor het blussen van electriciteitsbranden. Op elk toestel moet een duidelijke gebruiksaanwijzing zijn aangebracht;
- c. de blustoestellen mogen als blusmiddel noch HALON bevatten, noch middelen bij gebruik waarvan giftige gassen kunnen vrijkomen, zoals bijvoorbeeld tetrachloorkoolstof.
- d. blustoestellen met een vulling die gevoelig is voor vorst of warmte, moeten zodanig zijn geplaatst of beschermd, dat hun bruikbaarheid steeds is gewaarborgd.
- a. de brandbluspompen moeten motorisch worden aangedreven; zij mogen niet vóór het aanvaringsschot zijn opgesteld;
- b. de waterdruk bij de brandkranen moet tenminste 3 bar bedragen;
- c. de leidingen en brandkranen moeten zodanig zijn uitgevoerd en geplaatst, dat de slangen gemakkelijk kunnen worden aangekoppeld;
- d. alle straalpijpen moeten zodanig zijn uitgevoerd, dat zij desgewenst de volle straal kunnen geven, kunnen sproeien en afgesloten kunnen worden;
- e. de onderdelen van de installatie moeten in overeenstemming zijn met de geldende normen.
- a. CO2-installaties mogen slechts worden gebruikt in machinekamers, ketelruimen en pompkamers;
- b. verbrandingslucht voor de voor de vaart benodigde verbrandingsmotoren wordt niet aangezogen uit machinekamers, ketelruimen of pompkamers, tenzij er naast de hoofdmachinekamer een aparte machinekamer met een boegbesturingsaandrijving beschikbaar is;
- c. iedere vast ingebouwde CO2-installatie moet zijn voorzien van een waarschuwingssysteem, waarvan de signalen in de ruimten die met CO2-gas kunnen worden gevuld, ook onder bedrijfsomstandigheden waarbij aldaar het meeste geluid wordt geproduceerd, duidelijk hoorbaar zijn en duidelijk van alle andere akoestische waarschuwingssignalen aan boord te onderscheiden zijn. Deze CO2-waarschuwingssignalen moeten ook in de belendende ruimten, ook bij gesloten verbindingsdeuren en onder de bedrijfsomstandigheden waarbij in deze ruimten het meeste geluid wordt geproduceerd, duidelijk hoorbaar zijn, indien deze ruimten via de ruimte die met CO2-gas kan worden gevuld, kunnen worden verlaten. Naast iedere in- en uitgang van een ruimte die met CO2-gas kan worden gevuld, moet duidelijk zichtbaar een bord zijn aangebracht met daarop in rode letters op een witte ondergrond de volgende tekst: "Bij het in werking treden van het CO2-alarmsignaal deze ruimte onmiddellijk verlaten! Verstikkingsgevaar!" Deze tekst moet bovendien in het Duits, Frans en eventueel in andere talen van het land waar het schip vaart, zijn aangebracht.
- d. bij iedere inrichting voor het in werking stellen van een CO2-blusinstallatie moet de gebruiksaanwijzing goed leesbaar en duurzaam uitgevoerd zijn aangebracht. Deze aanwijzing moet in het Nederlands, Duits, Frans en eventueel in andere talen van het land waar het schip vaart, zijn gesteld. De gebruiksaanwijzing wijst erop dat voor het inwerking stellen van de brandblusinstallatie de in de hoofdmachinekamer aanwezige verbrandingsmotoren buiten bedrijf dienen te worden gesteld. De leidingen naar de afzonderlijke ruimten, die met CO2 kunnen worden gevuld, moeten elk afzonderlijk van een bedienings-afsluiter zijn voorzien. Voor de ingebruikstelling van de blusinstallatie moet automatisch eerst het in onderdeel c bedoelde waarschuwingssysteem in werking treden;
- e. CO2-houders moeten in een van de overige ruimten gasdicht gescheiden ruimten zijn ondergebracht. Deze ruimte mag slechts rechtstreeks van buitenaf toegankelijk zijn en moet over een eigen, van de andere ventilatiesystemen aan boord volledig gescheiden, voldoende ventilatiesysteem beschikken. De temperatuur in deze ruimte mag niet meer bedragen dan 60°C. Elke drukhouder moet in witte letters op een rode ondergrond zijn voorzien van het opschrift "CO2". De hoogte van de lettertekens moet ten minste 6 cm bedragen;
- f. drukhouders, armaturen en leidingen van de CO2-installatie moeten beantwoorden aan de geldende voorschriften. Zij moeten zijn voorzien van een officieel stempel waaruit blijkt dat zij zijn goedgekeurd overeenkomstig de voorschriften;
- g. het waarschuwingssysteem, bedoeld in onderdeel c, moet ten minste elke 12 maanden worden gekeurd. De blusinstallatie moet tenminste elke 2 jaar worden gekeurd. Deze keuring moet ten minste omvatten: De bewijsstukken betreffende de keuring van het waarschuwingssysteem en de blusinstallatie, ondertekend door degene die de keuringen heeft verricht, moeten aan boord aanwezig zijn. Op deze bewijsstukken moeten ten minste de eerdergenoemde controles en de daarbij verkregen resultaten, alsmede de datum van de keuringen zijn vermeld;
- - uitwendige inspectie van de gehele installatie;
- - controle op de werking van het leidingenstelsel en van de blaasmonden;
- - controle op de werking van het mechanisme dat de installatie in werking stelt;
- - de in elke drukhouder aanwezige voorraad CO2-gas.
- h. bij aanwezigheid van een of meer vast ingebouwde CO2-blusinstallaties moet in het certificaat van onderzoek de volgende aantekening worden geplaatst: "...(aantal) vast ingebouwde CO2-blusinstallatie(s). De in artikel 7.03, zesde lid, onder g, van Bijlage II van het Binnenschepenbesluit bedoelde bewijsstukken moeten aan boord aanwezig zijn.". De inspecteur-generaal kan het gebruik van andere blusmiddelen toestaan;
- i. het automatisch vrijgeven van CO2-gas is niet toegestaan.
- a. De bepaling van artikel 7.03, tweede lid, met betrekking tot het verbod op het voorhanden hebben van HALON als blusmiddel in blustoestellen is niet van toepassing op blustoestellen die voor 1 januari 1993 voor gebruik ter beschikking zijn gesteld.
- b. Brandblusinstallaties, waarin HALON 1301 (CBrF3) als blusmiddel wordt gebruikt en die zijn ingebouwd voor 1 januari 1993, blijven toegestaan, mits zij voldoen aan door de inspecteur-generaal gestelde eisen.
- c. Onverminderd het onder a en b gestelde mag HALON met ingang van 1 januari 1995 uitsluitend bedrijfsmatig worden toegepast voor het vullen van een brandblusinstallatie of een blustoestel, indien HALON aantoonbaar door regeneratie is verkregen.
- d. De bepalingen van artikel 7.03, zesde lid, onder b , met betrekking tot het aanzuigen van de verbrandingslucht, is slechts van toepassing indien CO2-installaties vast zijn ingebouwd aan boord van een schip waarvan de kiel is gelegd na 1 juli 1994.
- a. motorschepen en sleepschepen met een laadvermogen van meer dan 150 ton;
- b. sleepboten en duwboten met een waterverplaatsing van meer dan 150 m3.
- a. de boot moet voldoende zitplaatsen voor tenminste drie personen bieden; voor een zitplaatsbreedte moet tenminste 0,45 m worden aangehouden;
- b. de boot moet voldoende sterk zijn;
- c. de inhoud van de boot moet tenminste 1,5 m3 zijn of het product L.B.H. moet tenminste 2,7 m3 bedragen;
- d. het vrijboord van de boot beladen met drie personen van elk ongeveer 75 kg moet tenminste 25 cm bedragen;
- e. de stabiliteit moet voldoende zijn. De stabiliteit wordt geacht voldoende te zijn, wanneer twee personen van elk ongeveer 75 kg aan één zijde ieder zo dicht mogelijk tegen het dolboord zitten en daarbij een vrijboord van tenminste 10 cm overblijft;
- f. het resterende drijfvermogen in newton van de geheel met water volgeslagen boot zonder inzittenden moet tenminste 300. L.B.H. bedragen;
- g. in de boot moet tenminste de volgende uitrusting voorhanden zijn:
- - 1 stel roeiriemen;
- - 1 meertouw en
- - 1 hoosvat.
- a. het draagvermogen in zoet water moet tenminste 7,5 kg bedragen;
- b. zij moeten van geschikt materiaal zijn vervaardigd en bestand zijn tegen olie, olieproducten en temperaturen tot 50° C;
- c. zij moeten door hun kleur in het water goed zichtbaar zijn;
- d. het eigen gewicht moet tenminste 2,5 kg bedragen;
- e. de inwendige doorsnede moet tenminste 45 cm en ten hoogste 50 cm bedragen;
- f. zij moeten van een rondom lopende grijplijn zijn voorzien;
- g. zij moeten van een door de inspecteur-generaal goedgekeurd type zijn.
- - De afsluitkranen van alle flessen die niet op het distributienet zijn aangesloten, moeten zijn gesloten, ook wanneer de flessen leeg zijn.
- - De slangen moeten worden vervangen zodra er de geringste twijfel over de betrouwbaarheid van hun toestand bestaat.
- - Als op een installatie meer dan een fles kan worden aangesloten, moeten alle flessen zijn aangesloten, tenzij de bijbehorende toevoerleidingen met een kraan zijn gesloten of op een andere betrouwbare wijze zijn dichtgemaakt.
- a. een sterktebeproeving onder een druk van 20 bar boven de heersende atmosferische druk, uitgevoerd met lucht, een inert gas of een vloeistof;
- b. een beproeving van de luchtdichtheid onder een druk van 3,5 bar boven de heersende atmosferische druk, uitgevoerd met lucht of een inert gas.
- - beproeving van de luchtdichtheid onder een druk van 1 bar boven de heersende atmosferische druk, uitgevoerd met lucht of een inert gas.
- - beproeving van de luchtdichtheid onder een druk van 0,2 bar boven de heersende atmosferische druk.
- - beproevingen onder bedrijfsdruk van de luchtdichtheid met een schuimvormend middel.
- - in het stuurhuis,
- - vóór op het schip of het duwstel,
- - in de verblijven van de bemanning en
- - in de hut van de schipper.
- a. waterdichte schotten volgens artikel 2.02, derde lid, zijn niet vereist, indien de frontale gedeelten van de bak een belasting kunnen opnemen die tenminste 2,5 maal zo groot is als die welke het aanvaringsschot van een binnenschip met gelijke diepgang, dat is gebouwd volgens de regelen van een erkend onderzoekingsbureau, kan opnemen;
- b. in afwijking van artikel 2.02, vijfde lid, behoeven moeilijk toegankelijke afdelingen van een dubbele bodem slechts dan gelensd te kunnen worden, wanneer hun inhoud meer bedraagt dan 5% van de waterverplaatsing van de zeeschipbak bij de grootste toegelaten inzinking;
- c. dekken, gangboorden en luiken moeten zodanig zijn uitgevoerd, dat zij voldoende veiligheid tegen uitglijden bieden; schuine oppervlakken moeten zo nodig van looptreden zijn voorzien;
- d. de buitenzijde van dekken en gangboorden moet zijn voorzien van voetlijsten van tenminste 0,03 m hoogte en relingen van tenminste 0,90 m hoogte; de relingen mogen wegneembaar zijn; aan de uiteinden van de bak behoeven geen relingen te zijn aangebracht.
- a. een duwplatform overeenkomstig artikel 10.01, eerste lid, of
- b. een naar het oordeel van de inspecteur-generaal geschikte en doelmatige inrichting om te voorkomen dat hun boeg zich ten opzichte van het achterschip van het te duwen schip zijwaarts verplaatst.
- a. het duwstel voldoende koers kan houden;
- b. een belangrijke koersverandering en het onmiddellijk daarna hernemen van de oorspronkelijke koers snel en gemakkelijk kunnen worden uitgevoerd;
- c. de vaarsnelheid ten opzichte van het water voldoende is;
- d. het vermogen bij achteruitvaren voldoende is om het duwstel, eventueel ook bij stroomafwaarts varen, tot stilstand te brengen en
- e. bij het samenstellen en ontbinden van het duwstel het koppelen en ontkoppelen veilig en gemakkelijk kunnen geschieden. De koppelingen moeten bovendien aan de volgende regelen voldoen: 3. Bij de hierboven bedoelde proeven zal de inspecteur-generaal slechts rekening houden met een gunstig resultaat dat wordt verkregen door bijzondere inrichtingen zoals roeren en schroeven van de duwbakken, indien deze duwbakken altijd van hetzelfde duwstel deel uitmaken. In dat geval moeten deze toegelaten duwbakken met name worden vermeld in het certificaat van het schip dat voor de voortbeweging van het duwstel zorgt.
- - zij moeten de hechtheid van het duwstel waarborgen en
- - zij moeten door geschikte inrichtingen, bij voorkeur speciale lieren, gelijkmatig gespannen kunnen worden gehouden.
- a. de sleepinrichtingen moeten zodanig zijn aangebracht, dat door het gebruik daarvan de veiligheid van het schip, de bemanning of lading niet in gevaar komt; de manoeuvreerbaarheid en de stabiliteit van het schip mogen door het verrichten van sleepdienst niet merkbaar worden verminderd;
- b. de roerganger moet zelf de voortstuwingswerktuigen kunnen bedienen of deze kunnen laten bedienen zonder de stuurstelling te verlaten;
- c. als sleepinrichting moet aanwezig zijn een lier of een sleephaak, waardoor het mogelijk is de trossen vanaf de stuurstelling te laten slippen;
- d. de sleepinrichting moet vóór de schroeven zijn aangebracht; bij Voith-Schneider- en roerpropellerinstallaties behoeft deze laatste regel niet te worden toegepast, mits de goede bestuurbaarheid tijdens het slepen is gewaarborgd.
- a. de regelen van artikel 10.05, onder a en b ;
- b. er moeten inrichtingen aanwezig zijn, die het door hun aantal en opstelling mogelijk maken een afdoende verbinding tot stand te brengen tussen het betrokken schip en de geladen of ledige langszij gekoppelde eenheid.
- a. verblijf: het begrip zoals omschreven in artikel 1, tweede lid, onder v , van het Besluit;
- b. dagverblijf: een verblijf bestemd voor gebruik door personen buiten de voor arbeid en nachtrust bedoelde tijden, zoals salons, eetruimten en woonkeukens, echter niet keukens, provisiekamers, toiletten, wasgelegenheden, washokken, portalen en gangen;
- c. nachtverblijf: een verblijf bestemd voor de nachtrust;
- d. arbeidsplaats: een ruimte of plaats, ook in de open lucht, bestemd voor het verrichten van arbeid.
- - in dagverblijven : 70 dB(A),
- - in nachtverblijven, behalve aan boord van schepen die uitsluitend in dagvaart varen : 60 dB(A).
- a. verblijven voorzien van meerdere uitgangen, ramen en schijnlichten, die een snelle evacuatie mogelijk maken en
- b. provisiekamers, toiletten, wasgelegenheden, washokken en andere kleine ruimten waarin personen zich slechts kortstondig ophouden.
- a. vóór de toegangsopening voldoende ruimte beschikbaar is om een ongehinderde entree mogelijk te maken;
- b. de toegangen zich op voldoende afstand bevinden van inrichtingen die een bron van gevaar kunnen zijn, zoals lieren, sleep- en verhaalinrichtingen en laadgerei;
- c. de breedte van de vrije doorgang tenminste 0,60 m bedraagt en de som van de hoogte van de vrije doorgang en de drempelhoogte tenminste 1,90 m bedraagt; deze laatste afmeting mag worden verkregen door toepassing van schuifkappen of luiken;
- d. de drempels van deuropeningen niet hoger zijn dan 0,40 m, tenzij op grond van andere ter zake geldende bepalingen een grotere drempelhoogte voorgeschreven dan wel noodzakelijk is en
- e. de beschieting en isolatie van de gangen, portalen en trappenhuizen, die als vluchtweg dienen, van moeilijk ontvlambaar materiaal zijn.
- a. de trap een breedte heeft van tenminste 0,50 m;
- b. de diepte van de treden tenminste 0,15 m bedraagt;
- c. de verticale afstand tussen de treden niet meer dan 0,30 m bedraagt;
- d. de treden slipvast zijn en
- e. trappen met meer dan vier treden van tenminste één handleuning zijn voorzien.