Art. 14 IWS, Het geldend maken van het recht op uitkering
Invoeringswet stelselherziening sociale zekerheid (IWS)
1. Indien ten aanzien van de persoon, bedoeld in artikel 4, op de dag, voorafgaande aan die waarop de nieuwe Werkloosheidswet op hem van toepassing wordt, artikel 31, eerste lid, onderdeel a tot en met f, zo nodig in verbinding met artikel 39 van de Werkloosheidswet van toepassing was en ten aanzien van de persoon, bedoeld in artikel 6, op dat tijdstip artikel 14 van de Wet Werkloosheidsvoorziening van toepassing was, wordt deze toepassing voortgezet, tenzij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen met gebruikmaking van zijn bevoegdheid, bedoeld in artikel 27, eerste en tweede lid, van de nieuwe Werkloosheidswet, anders beslist.
2. Bij het gebruik maken van de bevoegdheid, bedoeld in artikel 27, eerste en tweede lid, van de nieuwe Werkloosheidswet, kan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen de uitkering niet verder weigeren en de uitkeringsduur niet verder beperken dan de mate waarin en de duur waarover uitsluiting of verlaging van de uitkering op grond van artikel 31, eerste lid, onderdeel a tot en met f, zonodig in verbinding met artikel 39 van de Werkloosheidswet of artikel 14 van de Wet Werkloosheidsvoorziening nog zou hebben plaatsgehad, indien de nieuwe Werkloosheidswet niet in werking was getreden.