Art. 2 Kanalisatieregeling diergeneesmiddelen en -gemedicineerde voeders, Kanalisatieregime

Kanalisatieregeling diergeneesmiddelen en -gemedicineerde voeders

1. Als diergeneesmiddelen bedoeld in artikel 29, eerste lid, van de wet, waarop de bepalingen van hoofdstuk IV van de wet van toepassing zijn worden aangewezen:

a. antimicrobiële diergeneesmiddelen;

b. resistentie-inducerende diergeneesmiddelen;

c. hormoonpreparaten;

d. sera en entstoffen en biologische diagnostica;

e. diergeneesmiddelen die kunnen worden toegediend door middel van injectie of implantatie, tenzij uitsluitend subcutane, intramusculaire of intramammaire toediening is toegestaan;

f. diergeneesmiddelen bestemd voor algehele verdoving, alsmede per injectie toe te dienen middelen voor plaatselijke verdoving;

g. spierrelaxantia;

h. de diergeneesmiddelen, genoemd in bijlage I, bij deze regeling;

i. diergeneesmiddelen, die een werkzaam bestanddeel bevatten dat niet gedurende ten minste 5 jaar in een geregistreerd diergeneesmiddel of in een onder de Vrijstellingsregeling ectoparasiticiden vallend ectoparasiticum is verwerkt.

2. De in het eerste lid, onderdeel a tot en met g gegeven aanwijzing is niet van toepassing op de diergeneesmiddelen die zijn genoemd in bijlage II bij deze regeling.

Uitspraken die dit artikel aanhalen