Art. 63c Wbb, Bijzondere bepalingen voor oppervlaktewaterlichamen
1. In afwijking van artikel 99, vierde lid, zijn de artikelen 28, 28a en 29, de paragrafen 3 en 3a van hoofdstuk IV en artikel 75 mede van toepassing op de bodem of oever van een oppervlaktewaterlichaam, indien:
a. een geval van ernstige verontreiniging zich mede uitstrekt tot die bodem of oever;
b. voor dat geval overeenkomstig artikel 37, eerste lid, is vastgesteld dat spoedige sanering noodzakelijk is; en
c. de bron van de verontreiniging of aantasting buiten die bodem of oever is gelegen.
2. In een geval als bedoeld in het eerste lid plegen gedeputeerde staten, alvorens van hun bevoegdheden gebruik te maken, ter zake overleg met de beheerder.