Art. 39d Wbb, Sanering
1. Indien na de sanering verontreiniging in de bodem aanwezig is gebleven en in het verslag, bedoeld in artikel 39c, is aangegeven dat maatregelen als bedoeld in artikel 39c, eerste lid, onder f, noodzakelijk zijn, wordt tegelijk met of zo spoedig mogelijk na de toezending van dat verslag door degene die de bodem heeft gesaneerd een nazorgplan ingediend waarin die maatregelen worden beschreven. Het nazorgplan bevat tevens een begroting van de kosten van de maatregelen en, voor zover naast maatregelen ook beperkingen in het gebruik van de bodem noodzakelijk zijn, een beschrijving van deze beperkingen.
2. De maatregelen kunnen onder meer inhouden:
a. het regelmatig inspecteren van de voorzieningen die ter uitvoering van de sanering zijn aangebracht en de tijdstippen waarop hierover tussentijds aan het bevoegd gezag verslag wordt gedaan;
b. het in stand houden en onderhouden alsmede waar nodig het herstellen, verbeteren of vervangen van die voorzieningen.
3. Het nazorgplan behoeft de instemming van gedeputeerde staten, die slechts met het nazorgplan instemmen indien de daarin opgenomen beperkingen in het gebruik van de bodem of maatregelen naar hun oordeel voldoende zijn om er voor te zorgen dat de verontreiniging die na de sanering is achtergebleven niet zal leiden tot een vermindering van de kwaliteit van de bodem zoals beschreven in het verslag op grond van artikel 39c, eerste lid, onder b. Met de uitvoering van het nazorgplan kan worden begonnen nadat gedeputeerde staten met dat plan hebben ingestemd of die instemming van rechtswege is verleend. Aan de instemming kunnen voorschriften worden verbonden. De instemming is van rechtswege verleend, indien gedeputeerde staten niet binnen de termijn van zes maanden na ontvangst van het nazorgplan een beslissing hebben genomen. Een instemming van rechtswege wordt aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht. Artikel 28, zevende lid, is van overeenkomstige toepassing voor wat betreft de instemming met het nazorgplan.
4. Artikel 39c, vierde lid, is van overeenkomstige toepassing voor wat betreft de instemming met het nazorgplan.
5. Provinciale staten kunnen nadere regels stellen omtrent de gegevens die in het nazorgplan worden opgenomen.
Uitspraken die dit artikel aanhalen
- ABRvS 21 september 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2527
- ABRvS 25 september 2013, ECLI:NL:RVS:2013:1298
- ABRvS 11 mei 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BQ4076
- ABRvS 9 februari 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BP3692
- ABRvS 28 februari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:822
- ABRvS 6 juni 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1883
- ABRvS 21 december 2016, ECLI:NL:RVS:2016:3414
- ABRvS 13 mei 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1540
- ABRvS 26 februari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:592
- ABRvS 15 mei 2013, ECLI:NL:RVS:2013:CA0157
- ABRvS 15 augustus 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BX4653
- ABRvS 27 juni 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BW9569
- ABRvS 27 juli 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BR3248
- ABRvS 20 april 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BQ1929
- ABRvS 18 november 2009, ECLI:NL:RVS:2009:BK3645
- Rb. Noord-Holland 2 februari 2023, ECLI:NL:RBNHO:2023:893
- Hof Arnhem-Leeuwarden 20 maart 2018, ECLI:NL:GHARL:2018:2669