Art. 12.04 BPR, Toepasselijkheid van de voorschriften inzake het gebruik van radar

Binnenvaartpolitiereglement (BPR)

Een zeegaand schip mag, indien de radarinstallatie goed functioneert, gebruik maken van radar:

a. zonder te zijn uitgerust met een radarinstallatie en een bochtaanwijzer, als bedoeld in artikel 4.06, eerste lid, onder a; en

b. zonder dat zich aan boord een persoon bevindt die houder is van een radarpatent, als bedoeld in artikel 4.06, eerste lid, onder b.