Art. 19 RDHL, Afsluiting buiten de overwegen

Reglement dienst hoofd- en lokaalspoorwegen (RDHL)

1. Als voldoende afsluiting van de spoorweg buiten de overwegen worden aangemerkt:

a. rivieren, kanalen en beken;

b. moerasgrond, rietland en land met dicht ineengegroeid houtgewas;

c. aangrenzend maaiveld, indien dat ten minste 3,00 m boven of onder de kruin van de spoorweg is gelegen;

d. waterhoudende sloten met een diepte van ten minste 0,70 m beneden de laagste waterstand en een bodembreedte van ten minste 1,00 m;

e. muren, schuttingen, rasterwerken, palen met ijzerdraden of vlechtwerk of andere soortgelijke afheiningen en levende dicht ineengegroeide heggen, een en ander met een hoogte van ten minste 1,00 m;

f. droge sloten, dammen of wallen tot afscheiding van bouwland, of bos-, duin- en heidegrond.

2. De Minister kan voor de inrichting van de afsluitingen, bedoeld onder e en f van het eerste lid, aanwijzingen geven en hij kan in bijzondere omstandigheden voor de afsluitingen, bedoeld onder d en e van het eerste lid, andere afmetingen voorschrijven of toestaan.