Art. 2:343c BW, Geschillenregeling
Burgerlijk Wetboek Boek 2 (BW2)
1. Bestaat tussen een aandeelhouder en een of meer van zijn mede-aandeelhouders of de vennootschap overeenstemming dat de aandeelhouder zijn aandelen zal overdragen tegen gelijktijdige betaling van een nader vast te stellen prijs, dan kunnen zij de ondernemingskamer gezamenlijk verzoeken de prijs van de aandelen te doen vaststellen. Het verzoek kan ook worden gedaan door één der partijen, mits de andere partij in zijn verweerschrift verklaart zich daartegen niet te verzetten.
2. Partijen kunnen de ondernemingskamer verzoeken bij de benoeming van de deskundige of deskundigen bepaalde aanwijzingen te geven over de in acht te nemen waarderingsmaatstaf, de datum waartegen gewaardeerd moet worden en andere omstandigheden waarmee bij de waardering rekening moet worden gehouden. Voorzover partijen niet eenstemmig zijn, beslist de ondernemingskamer naar billijkheid.
3. De artikelen 343 lid 2, in dier voege dat de in dat lid genoemde leden 6 en 7 van artikel 336a niet van toepassing zijn, lid 6 en 343a zijn zoveel mogelijk van overeenkomstige toepassing.
4. Indien partijen in het verzoekschrift dan wel overeenkomstig lid 1, tweede zin, verklaren dat zij omtrent de prijs van de aandelen een bericht van deskundigen wensen dat tussen hen de werking van een vaststellingsovereenkomst zal hebben, zijn de wettelijke bepalingen betreffende het voorlopig deskundigenbericht voorzoveel nodig van overeenkomstige toepassing. Een partij kan op artikel 904 lid 1 van Boek 7 slechts een beroep doen gedurende vier weken vanaf de verzending van het voorlopig deskundigenbericht aan die partij door de griffier op de voet van artikel 190 lid 4 in verband met artikel 202 lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Bij toepassing van artikel 904 lid 2 van Boek 7 is de ondernemingskamer bevoegd. Zij beslist ook op verzoek van een partij over geschillen betreffende de uitvoering van de overdracht.
5. Tegen beslissingen van de ondernemingskamer als bedoeld in dit artikel staat geen hogere voorziening open.
Uitspraken die dit artikel aanhalen
- Hof Amsterdam 16 september 2025, ECLI:NL:GHAMS:2025:2434
- Hof Amsterdam 30 juni 2025, ECLI:NL:GHAMS:2025:1689
- Rb. Rotterdam 16 juli 2021, ECLI:NL:RBROT:2021:6852
- Rb. Rotterdam 26 februari 2014, ECLI:NL:RBROT:2014:1926
- Rb. Midden-Nederland 4 september 2019, ECLI:NL:RBMNE:2019:4121
- Hof Amsterdam 5 februari 2026, ECLI:NL:GHAMS:2026:572
- Hof Amsterdam 18 maart 2026, ECLI:NL:GHAMS:2026:568
- Hof Amsterdam 17 september 2026, ECLI:NL:GHAMS:2026:2669
- Hof Amsterdam 4 juni 2026, ECLI:NL:GHAMS:2026:1541
- Hof Amsterdam 20 maart 2025, ECLI:NL:GHAMS:2025:703
- Hof Amsterdam 30 december 2025, ECLI:NL:GHAMS:2025:3622
- Hof Amsterdam 5 november 2025, ECLI:NL:GHAMS:2025:2993
- Hof Amsterdam 29 oktober 2025, ECLI:NL:GHAMS:2025:2887
- Hof Amsterdam 4 juli 2025, ECLI:NL:GHAMS:2025:1747
- Hof Amsterdam 27 augustus 2019, ECLI:NL:GHAMS:2019:3127