Art. 2:338 BW, Geschillenregeling
Burgerlijk Wetboek Boek 2 (BW2)
1. Nadat een afschrift van het verzoekschrift aan hem is betekend door de oproeping, bedoeld in artikel 336a lid 3, en tot de dag waarop de beschikking onherroepelijk is geworden, kan de verweerder zijn aandelen niet vervreemden, verpanden of daarop een vruchtgebruik vestigen, tenzij de verzoekers daarvoor toestemming verlenen. Indien de verzoekers de toestemming weigeren, kan de ondernemingskamer op verzoek van verweerder de toestemming verlenen, indien verweerder bij de rechtshandeling een redelijk belang heeft. Tegen de beslissing van de ondernemingskamer staat geen hogere voorziening open.
2. Nadat het verzoek is toegewezen, kan de verweerder de aandelen slechts overdragen met inachtneming van de artikelen 339 tot en met 341.
3. De ondernemingskamer kan een voorlopige voorziening treffen met werking tot het tijdstip dat de aandelen worden overgedragen. Artikel 223 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is van overeenkomstige toepassing. Een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening wordt met de meeste spoed behandeld.
Uitspraken die dit artikel aanhalen
- Conclusie A-G Assink 13 december 2019, ECLI:NL:PHR:2019:1345
- Hof Amsterdam 8 juli 2019, ECLI:NL:GHAMS:2019:3182
- Conclusie A-G Timmerman 23 april 2020, ECLI:NL:PHR:2020:467
- Hof Amsterdam 26 mei 2026, ECLI:NL:GHAMS:2026:1473
- Rb. 's-Gravenhage 23 mei 2012, ECLI:NL:RBSGR:2012:BW7215
- Rb. Midden-Nederland 21 juni 2016, ECLI:NL:RBMNE:2016:3697
- Rb. Midden-Nederland 26 maart 2014, ECLI:NL:RBMNE:2014:2548
- Rb. Den Haag 25 juni 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:12024
- Hof Amsterdam 5 februari 2026, ECLI:NL:GHAMS:2026:572