Art. 1:324 BW, Onbevoegdheid tot de voogdij
1. Wanneer een voogd op een der in artikel 246 van dit boek genoemde gronden onbevoegd is tot de voogdij, ontslaat de rechtbank hem en vervangt hem door een andere voogd.
2. Zij doet dit op verzoek van de voogd, bloed- of aanverwanten van de minderjarige, de raad voor de kinderbescherming, schuldeisers of andere belanghebbenden, of ambtshalve.
3. Indien in geval van gezamenlijke uitoefening van de voogdij een van de in het eerste lid genoemde gronden zich voordoet ten aanzien van een van beide voogden, oefent de andere voogd het gezag over de kinderen alleen uit.
4. Zodra de grond van de onbevoegdheid is vervallen, herleeft de gezamenlijke voogdij.
Uitspraken die dit artikel aanhalen
- Conclusie A-G Ettema 22 december 2023, ECLI:NL:PHR:2023:1201
- Rb. Groningen 3 juli 2012, ECLI:NL:RBGRO:2012:BX1292
- Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba 18 februari 2020, ECLI:NL:OGEAA:2020:70
- Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba 25 juni 2019, ECLI:NL:OGEAA:2019:433
- Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba 3 oktober 2017, ECLI:NL:OGEAA:2017:774
- Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba 15 maart 2016, ECLI:NL:OGEAA:2016:168