Art. 1:111 BW, Opheffing van de gemeenschap bij beschikking
Burgerlijk Wetboek Boek 1 (BW1)
1. Indien de echtgenoot tegen wie het verzoek is toegewezen, de gemeenschap heeft benadeeld doordat hij na de aanvang van het geding of binnen zes maanden daarvóór lichtvaardig schulden heeft gemaakt, goederen der gemeenschap heeft verspild, of een rechtshandeling als bedoeld in artikel 88 van dit boek zonder de vereiste toestemming of beslissing van de rechtbank heeft verricht, is hij gehouden de aangerichte schade aan de gemeenschap te vergoeden.
2. Een op het vorige lid gegronde vordering kan niet later worden ingesteld dan drie jaren nadat het verzoek tot opheffing van de gemeenschap bij de rechtbank is ingediend.
Uitspraken die dit artikel aanhalen
- Hof Arnhem-Leeuwarden 3 oktober 2017, ECLI:NL:GHARL:2017:8571
- Rb. Zeeland-West-Brabant 13 april 2026, ECLI:NL:RBZWB:2026:4088
- Rb. Rotterdam 20 november 2025, ECLI:NL:RBROT:2025:13390
- Rb. Noord-Nederland 1 april 2015, ECLI:NL:RBNNE:2015:2365
- Rb. Limburg 5 december 2018, ECLI:NL:RBLIM:2018:11720
- Conclusie A-G Rank-Berenschot 14 april 2017, ECLI:NL:PHR:2017:533
- Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba 20 september 2022, ECLI:NL:OGHACMB:2022:103
- Hof 's-Hertogenbosch 23 november 2011, ECLI:NL:GHSHE:2011:BU5583
- Hof Den Haag 13 juli 2016, ECLI:NL:GHDHA:2016:4387