Art. 40 Wet OB, Bestuurlijke boetes
Wet op de omzetbelasting 1968 (Wet OB)
1. Indien de ondernemer een btw-melding als bedoeld in artikel 28q die hij in Nederland moet doen of de lijst, bedoeld in artikel 37a, niet of niet tijdig heeft ingediend, dan wel een onvolledige of onjuiste btw-melding of lijst heeft ingediend, vormt dat een verzuim ter zake waarvan de inspecteur hem een bestuurlijke boete van ten hoogste de derde categorie kan opleggen.
2. De bevoegdheid tot het opleggen van de in het eerste lid bedoelde boete vervalt, in afwijking van artikel 5:45, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht, door het verloop van vijf jaren na het einde van het kalenderjaar waarin de in artikel 28q of artikel 37a, eerste lid, genoemde verplichting is ontstaan.
3. Artikel 67cb van de Algemene wet inzake rijksbelastingen is van overeenkomstige toepassing op het bedrag van de boete, genoemd in het eerste lid.
Uitspraken die dit artikel aanhalen
- Conclusie A-G Snijders 11 april 2025, ECLI:NL:PHR:2025:426
- Rb. Zeeland-West-Brabant 4 december 2024, ECLI:NL:RBZWB:2024:8309
- Rb. Zeeland-West-Brabant 10 februari 2023, ECLI:NL:RBZWB:2023:781
- Rb. Noord-Nederland 13 juni 2017, ECLI:NL:RBNNE:2017:2350
- Rb. Haarlem 24 mei 2007, ECLI:NL:RBHAA:2007:BA7281
- Conclusie A-G van Kalmthout 14 februari 2003, ECLI:NL:PHR:2003:AE9247
- Hof 's-Hertogenbosch 23 april 2004, ECLI:NL:GHSHE:2004:AQ4574
- Hof 's-Hertogenbosch 30 oktober 2002, ECLI:NL:GHSHE:2002:AF1351
- Hof Arnhem 6 maart 2001, ECLI:NL:GHARN:2001:AB0620
- Hof Amsterdam 21 maart 2017, ECLI:NL:GHAMS:2017:1591