Art. 28j Wet OB, Regeling voor beleggingsgoud

Wet op de omzetbelasting 1968 (Wet OB)

1. In deze wet en in de daarop berustende bepalingen wordt onder beleggingsgoud verstaan:

a. goud, in de vorm van staven of plaatjes met een door de goudmarkten aanvaard gewicht, met een zuiverheid van ten minste 995/1000, al dan niet belichaamd in effecten, doch met uitzondering van bij ministeriële regeling aan te wijzen kleine staven of plaatjes met een gewicht van ten hoogste 1 gram;

b. gouden munten die:

1°. een zuiverheid van ten minste 900/1000 hebben;

2°. na 1800 zijn geslagen;

3°. in het land van oorsprong als wettig betaalmiddel fungeren of hebben gefungeerd;

4°. normaliter verkocht worden voor een prijs die de openmarktwaarde van het in de munten vervatte goud niet met meer dan 80% overschrijdt;

c. gouden munten die zijn opgenomen in de lijst die de Europese Commissie elk jaar publiceert in de C-serie van het Publicatieblad van de Europese Unie en die daarmee worden geacht aan de in onderdeel b opgenomen criteria te voldoen gedurende het hele jaar waarvoor de lijst wordt gepubliceerd.

2. De in het eerste lid, onderdelen b en c, bedoelde gouden munten worden, voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen, geacht niet wegens hun numismatische belang te worden verkocht.

Uitspraken die dit artikel aanhalen