Bijlage II ARV: reglement betreffende het vervoer van particuliere wagens
Algemeen Reglement Vervoer (ARV)
§ 1. Dit reglement is van toepassing op het vervoer van ledige of beladen particuliere wagens, als bedoeld in artikel 2, die ten vervoer zijn aangeboden onder de voorwaarden van het Algemeen Reglement Vervoer (ARV). § 2. Voor zover dit reglement geen bijzondere bepalingen bevat, zijn de voorschriften van het ARV van toepassing op het in § 1 bedoelde vervoer. Onder particuliere wagens of P-wagens worden verstaan wagens, die door een spoorweg door het afsluiten van een immatriculatie-overeenkomst op naam van een natuurlijk persoon of rechtspersoon in zijn wagenpark zijn opgenomen en van het onderscheidingsteken P zijn voorzien. In dit reglement wordt deze persoon, wiens naam op de wagen moet zijn aangebracht, particulier genoemd. De afzender mag de wagen slechts gebruiken voor het vervoeren van krachtens de immatriculatie-overeenkomst toegelaten goederen. Alleen de afzender is aansprakelijk voor de gevolgen, die voortvloeien uit het niet in acht nemen van deze bepaling. Indien de wagen is uitgerust met bijzondere inrichtingen (koelinrichtingen, waterbakken, machine-installaties enz.), is de particulier verplicht voor de bediening van deze inrichtingen te zorgen of te doen zorgen. § 1. De afzender moet behalve de in het ARV voorgeschreven aanduidingen de volgende op de vrachtbrief vermelden: § 1. De aangifte van het belang bij de aflevering is niet toegestaan bij zendingen ledige wagens. § 2. De aangifte van het belang bij de aflevering geldt bij het vervoer van een beladen wagen slechts met betrekking tot het geladen goed. § 1. Behalve in de in artikel 67, § 5, ARV bedoelde gevallen wordt de leveringstermijn tevens verlengd in het geval van een onderbreking van het vervoer ten gevolge van een beschadiging van de wagen en wel met de duur van deze onderbreking, tenzij de spoorweg volgens de bepalingen van artikel 11 voor deze beschadiging aansprakelijk is. § 2. Indien het in de beschadigde wagen geladen goed wordt overgeladen in een andere wagen, eindigt de onderbreking
- 1. Het recht een wagen ten vervoer aan te bieden berust bij de particulier. Iedere andere afzender van een ledige of beladen wagen moet aan het station van afzending tegelijk met de vrachtbrief een machtiging van de particulier overleggen, welke op meer dan één wagen betrekking kan hebben.
- 2. Deze machtiging is niet vereist in de volgende gevallen:
- a. indien de geadresseerde van een door de particulier toegezonden ledige wagen deze, na belading, ter verzending aanbiedt;
- b. indien de geadresseerde van een beladen aangekomen wagen deze, na lossing, naar het depotstation, aan het adres van de particulier terugzendt. § 2. § 3. De huurder, wiens naam met toestemming van de spoorweg, die de wagen in zijn wagenpark heeft opgenomen, op de wagen is aangebracht, treedt met betrekking tot de uitvoering van de bepalingen van dit artikel van rechtswege in de plaats van de particulier.
- 1. Behoudens een tegenstelde opdracht van de particulier is de spoorweg bevoegd iedere ledig aangekomen wagen, waarvan de belading tien dagen na de ter beschikkingstelling niet is begonnen, en iedere beladen aangekomen wagen, die niet uiterlijk vijf dagen na het einde van het lossen opnieuw wordt verzonden, ambtshalve en op kosten van de particulier naar zijn depotstation terug te zenden met een vrachtbrief ten name van en aan het adres van deze laatste.
- 2. Indien de spoorweg geen gebruik maakt van deze bevoegdheid, moet hij direct na afloop van de hiervoor genoemde termijnen de particulier over de stand van zaken betreffende zijn wagen in kennis stellen; in dat geval mag de spoorweg de wagen niet binnen vijf dagen na de verzending van de mededeling aan de particulier ambtshalve terugzenden.
- 3. De bepalingen van deze paragraaf zijn niet van toepassing op wagens, die zich op particuliere spooraansluitingen bevinden.
- a. indien het een ledige wagen betreft: de aanduiding "ledige P-wagen", benevens de soort en de kenmerken van de wagen;
- b. indien het een beladen wagen betreft: na de aard van het goed, de aanduiding "geladen in een P-wagen", benevens de kenmerken van de wagen.
- 1. Iedere ledige wagen, welke opgehouden wordt, moet door de spoorweg loopbaar worden gemaakt, tenzij de wagen, als gevolg van de ernst van de beschadiging, op een andere wagen geladen moet worden.
- 2. Ten einde een wagen voor belading bruikbaar te maken, kan de spoorweg ambtshalve herstellingen uitvoeren tot een bedrag, dat in de immatriculatie-overeenkomst is bepaald.
- 3. De spoorweg geeft de particulier, door tussenkomst van de spoorweg, die de wagen in zijn wagenpark heeft opgenomen, summier kennis van de belangrijke werkzaamheden, welke krachtens de leden 1 en 2 zijn uitgevoerd.
- 4. De toepassing van de voorgaande bepalingen houdt geen oordeel omtrent de aansprakelijkheid in.
- 1. Wanneer de spoorweg herstelwerkzaamheden overeenkomstig § 2 uitvoert en hij verwacht, dat de uitvoering van deze werkzaamheden meer dan vier dagen zal duren, verzoekt hij per telegram aan de afzender hem mede te delen of de vervoerovereenkomst na uitvoering der werkzaamheden verder uitgevoerd of gewijzigd moet worden.
- 2. Indien de afzender vóór beëindiging van de werkzaamheden geen instructies geeft, wordt de vervoerovereenkomst verder uitgevoerd.
- 1. Indien de spoorweg de herstelling niet ambtshalve uitvoert, vraagt het station, waar de beschadiging is vastgesteld, onverwijld per telegram aan de afzender instructies. Indien de afzender en de particulier niet dezelfde persoon zijn, wordt een afschrift van dit verzoek onverwijld aan de particulier gezonden.
- 2. Indien de afzender binnen een tijdvak van acht dagen na de datum van afzending van het telegram geen instructies geeft, is de spoorweg bevoegd de wagen, na deze zo nodig loopbaar te hebben gemaakt, ambtshalve naar zijn depôtstation terug te zenden met een ten name van en aan het adres van de particulier gestelde vrachtbrief. De redenen van de terugzending moeten op de vrachtbrief worden aangegeven na de woorden "ledige P-wagen".
- 1. Indien tengevolge van beschadiging het vervoer van een beladen wagen niet kan worden voortgezet en lossing noodzakelijk is, zijn de bepalingen van dit artikel van toepassing op de wagen na lossing.
- 2. Indien de wagen kan worden hersteld zonder te worden gelost, zijn de bepalingen van de §§ 1, 2, 3, 6 en 7 van overeenkomstige toepassing.
- 1. In geval van verlies van de wagen wordt de schadevergoeding beperkt tot de waarde van de wagen, volgens de richtlijnen welke in de immatriculatie-overeenkomst zijn vastgelegd.
- 2. In geval van beschadiging van de wagen wordt de schadevergoeding berekend volgens de bepalingen van de immatriculatie-overeenkomst.
- 1. In geval van verlies of beschadiging van losse onderdelen is de spoorweg slechts aansprakelijk, indien die onderdelen op beide zijden van de wagen zijn vermeld. De spoorweg aanvaardt geen aansprakelijkheid voor verlies of beschadiging van losse uitrustingsstukken.
- 2. De spoorweg is slechts aansprakelijk voor schade aan houders (potten) van steen, glas, aardewerk, enz., indien deze schade samenhangt met een andere beschadiging van de wagen, waarvoor de spoorweg krachtens de voorgaande bepalingen aansprakelijk is en voor schade aan houders (reservoirs) met een binnenbekleding (email, eboniet, enz.), indien de houder sporen van uitwendige beschadigingen vertoont, waarvoor de spoorweg krachtens de voorgaande bepalingen aansprakelijk is. Deze beperkingen gelden niet indien de rechthebbende bewijst, dat de schade is veroorzaakt door schuld van de spoorweg.