Art. 205 Mijnreglement 1964, De luchtverversing in de ondergrondse werken
1. Hoofdluchtwegen en luchtwegen moeten in goede toestand worden gehouden en voortdurend begaanbaar zijn. Hiertoe moeten, onverminderd het in artikel 213, eerste lid, bepaalde:
a. hoofdluchtwegen een doorsnede hebben van tenminste 2 m2;
b. luchtwegen een doorsnede hebben van tenminste 1 m2.
2. Indien voor de doorgaande luchtverversing van een deel van de ondergrondse werken gebruik wordt gemaakt van andere luchtverbindingen dan in het eerste lid genoemd, moeten deze doelmatig zijn.