Art. 19 ZFW, De geldmiddelen
1. Het College zorgverzekeringen verstrekt aan de ziekenfondsen ten laste van de Algemene Kas jaarlijks een uitkering ter gehele of gedeeltelijke dekking van de kosten van de verzekering ingevolge deze wet.
2. Bij ministeriële regeling wordt jaarlijks geregeld welke middelen beschikbaar zijn voor de uitkeringen aan ziekenfondsen voor het volgende kalenderjaar. In die regeling worden tevens regels gesteld met betrekking tot de vaststelling van de uitkeringen, alsmede met betrekking tot de nadere vaststelling van de uitkeringen, bedoeld in het vijfde lid.
3. Het College zorgverzekeringen stelt beleidsregels vast, waarin wordt aangegeven op welke wijze het toepassing geeft aan de in het tweede lid bedoelde regels. De beleidsregels behoeven de goedkeuring van Onze Minister.
4. Het College zorgverzekeringen stelt de uitkering van elk ziekenfonds vast vóór de aanvang van het kalenderjaar waarop de uitkering betrekking heeft. De betaling van de uitkering geschiedt overeenkomstig door het College zorgverzekeringen te stellen beleidsregels.
5. Het College zorgverzekeringen stelt na afloop van het kalenderjaar waarop de uitkering betrekking heeft, de uitkering nader vast. Naar het oordeel van het College toezicht onverantwoorde besparingen op de beheerskosten worden in mindering gebracht op de uitkering. Het verschil tussen het bedrag van de vooraf vastgestelde uitkering en de nader vastgestelde uitkering wordt verrekend. Voor de rente die het College zorgverzekeringen dan wel het ziekenfonds over het verschil heeft gederfd, wordt overeenkomstig door het College zorgverzekeringen te stellen beleidsregels aan het ziekenfonds een vergoeding in rekening gebracht onderscheidenlijk aan het ziekenfonds een vergoeding toegekend.
6. Ook na aanvang van het kalenderjaar kan bij ministeriële regeling worden geregeld dat middelen beschikbaar zijn voor het doen van uitkeringen. In dat geval zijn de tweede volzin van het tweede lid en het derde, vierde en vijfde lid van overeenkomstige toepassing.
7. Bij ministeriële regeling kunnen ter zake van de verstrekking van uitkeringen nadere regels worden gesteld.
Uitspraken die dit artikel aanhalen
- HR 17 december 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO9556
- Conclusie A-G Spier 17 december 2004, ECLI:NL:PHR:2004:AO9556
- ABRvS 14 september 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BS8859
- ABRvS 14 september 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BS8858
- ABRvS 14 september 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BS8853
- ABRvS 31 augustus 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BR6411
- ABRvS 18 mei 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BQ4913
- ABRvS 17 juni 2009, ECLI:NL:RVS:2009:BI8438
- ABRvS 22 maart 2006, ECLI:NL:RVS:2006:AV6274
- ABRvS 9 november 2005, ECLI:NL:RVS:2005:AU5843
- ABRvS 20 oktober 2004, ECLI:NL:RVS:2004:AR4304
- ABRvS 20 oktober 2004, ECLI:NL:RVS:2004:AR4303
- ABRvS 2 oktober 2002, ECLI:NL:RVS:2002:AE8271
- ABRvS 2 oktober 2002, ECLI:NL:RVS:2002:AE8269
- ABRvS 31 juli 2002, ECLI:NL:RVS:2002:AE5991
- ABRvS 17 juli 2002, ECLI:NL:RVS:2002:AE5361
- Rb. 's-Gravenhage 27 juni 2001, ECLI:NL:RBSGR:2001:AB2306
- Hof 's-Gravenhage 20 februari 2003, ECLI:NL:GHSGR:2003:AF6225