Art. 103g WVO, Aanwijzing
Wet op het voortgezet onderwijs (WVO)
1. Indien sprake is van wanbeheer van een of meer bestuurders of toezichthouders kan Onze Minister de rechtspersoon die de school in stand houdt dan wel het samenwerkingsverband een aanwijzing geven. Een aanwijzing omvat een of meer maatregelen en is evenredig aan het doel waarvoor zij wordt gegeven.
2. Onder wanbeheer wordt uitsluitend verstaan:
a. financieel wanbeleid,
b. ernstige nalatigheid om, in ieder geval in strijd met artikel 23a, maatregelen te treffen die noodzakelijk zijn voor het waarborgen van de kwaliteit en goede voortgang van het onderwijs aan de school en om te voorkomen dat de kwaliteit van het stelsel van voortgezet onderwijs in gevaar komt;
c. ongerechtvaardigde verrijking, al dan niet beoogd, van de rechtspersoon die de school in stand houdt, zichzelf dan wel een derde;
d. onrechtmatig handelen, waaronder wordt verstaan het in de hoedanigheid van bestuurder of toezichthouder handelen in strijd met wettelijke bepalingen waarmee financieel voordeel wordt behaald ten gunste van de rechtspersoon die de school in stand houdt, zichzelf of een derde, en
e. het in ernstige mate verwaarlozen van de zorg voor wat door redelijkheid en billijkheid wordt gevorderd in de omgang met betrokkenen in de schoolorganisatie, waaronder wordt verstaan intimidatie of bedreiging van personeel, leerlingen of ouders door een bestuurder of toezichthouder.
3. In de aanwijzing geeft Onze Minister met redenen omkleed aan op welke punten sprake is van wanbeheer alsmede de in verband daarmee te nemen maatregelen.
4. Een aanwijzing bevat de termijn waarbinnen het bevoegd gezag aan de aanwijzing moet voldoen.
5. Alvorens Onze Minister een aanwijzing als bedoeld in het eerste lid geeft:
a. heeft de inspectie een onderzoek als bedoeld in artikel 11 of artikel 15 van de Wet op het onderwijstoezicht verricht;
b. heeft de inspectie daarover een inspectierapport als bedoeld in artikel 20, eerste lid, van de Wet op het onderwijstoezicht uitgebracht; en
c. stelt Onze Minister de rechtspersoon vervolgens vier weken in de gelegenheid zijn zienswijze met betrekking tot de aanwijzing naar voren te brengen.
Uitspraken die dit artikel aanhalen
- Hof Amsterdam 2 maart 2021, ECLI:NL:GHAMS:2021:583
- Rb. Amsterdam 27 oktober 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:6072
- Rb. Amsterdam 20 januari 2020, ECLI:NL:RBAMS:2020:226
- Hof Amsterdam 2 maart 2021, ECLI:NL:GHAMS:2021:582
- Conclusie A-G Assink 11 februari 2022, ECLI:NL:PHR:2022:134
- Conclusie A-G Assink 11 februari 2022, ECLI:NL:PHR:2022:132
- ABRvS 19 oktober 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3014
- ABRvS 22 november 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3949
- Rb. Den Haag 4 september 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:13925
- Rb. Den Haag 15 april 2022, ECLI:NL:RBDHA:2022:3486
- Rb. Den Haag 11 juli 2019, ECLI:NL:RBDHA:2019:6860
- Hof Den Haag 24 december 2019, ECLI:NL:GHDHA:2019:3446