Bijlage F Waterleidingbesluit: , behorend bij artikel 17k, eerste en tweede lid, van het Waterleidingbesluit
Definitie van gebruikte termen: Een risicoanalyse wordt uitgevoerd door achtereenvolgens een of meerdere van de volgende stappen te nemen: 1.1.1. Voor de uitvoering van de inventarisatie geldt dat beoordeeld wordt in hoeverre bij gebruik van de tappunten, die deel uitmaken van een collectieve watervoorziening of collectief leidingnet of daarop zijn aangesloten, aërosolen en daardoor, al dan niet samen met andere micro-organismen, meegevoerde legionellabacteriën kunnen vrijkomen in hoeveelheden die in geval van inademing nadelige gevolgen kunnen hebben voor de volksgezondheid (hierna: relevante hoeveelheden inadembare aërosolen). 1.1.2. Per tappunt worden de volgende aspecten vastgelegd: 1.2.1. Indien uit de uitvoering van voorschrift 1.1. blijkt dat één of meer tappunten aanwezig zijn waarbij relevante hoeveelheden inadembare aërosolen kunnen vrijkomen, wordt tenminste één van de volgende maatregelen getroffen: 1.2.2. Indien een maatregel als bedoeld in voorschrift 1.2.1, onder a, b, of c, is getroffen, kan de risicoanalyse worden afgesloten met inachtneming van het gestelde in voorschrift 4.7. 1.2.3. Voor zover periodieke maatregelen nodig zijn om het risico op besmetting door de aërosolvormende tappunten te beheersen, wordt een beheersplan opgesteld en uitgevoerd overeenkomstig artikel 17l en verder van dit besluit. 2.1. Ten behoeve van de risicoanalyse worden tenminste de volgende gegevens verzameld met betrekking tot de installatie: 2.2. Ten behoeve van de risicoanalyse worden tenminste de volgende gegevens verzameld met betrekking tot de omgeving: 2.3. Ten behoeve van de risicoanalyse worden tenminste de volgende gegevens verzameld met betrekking tot het gebruik: 2.4. De onder 2.1 tot en met 2.3 genoemde gegevens zijn zodanig dat daaruit ten behoeve van de risicoanalyse de volgende gegevens kunnen worden afgeleid: 3.1. Ten behoeve van de risicoanalyse wordt de collectieve watervoorziening of het collectieve leidingnet in vijf hoofdfuncties verdeeld: 4.1. In de
- a. dode leiding: leidinggedeelte waarin geen doorstroming met leidingwater plaatsvindt doordat op het uiteinde van dit leidinggedeelte geen tappunten zijn aangesloten;
- b. biofilm: populatie van micro-organismen in een matrix van slijm, die aan het inwendige oppervlak van een installatie gehecht is;
- c. hot spot: plaats in de drinkwater- of huishoudwaterinstallatie of in het warmwaterleidingnet, bedoeld in voorschrift 3.1, waar het leidingwater kan opwarmen tot boven 25 °C of waar het water in de warmwateruittapleiding niet afkoelt tot onder 25 °C.
- 1. Inventarisatie van de tappunten op te verwachten aërosolvorming;
- 2. Verzameling van gegevens met betrekking tot de collectieve watervoorziening of het collectieve leidingnet;
- 3. Verdeling van de collectieve watervoorziening of het collectieve leidingnet in hoofdfuncties;
- 4. Risicoanalyse van component tot systeem.
- – plaats tappunt (omschrijving ruimte);
- – type tappunt (b.v. gootsteen, wastafel, bad, douche, brandslang);
- – beoordeling of bij gebruik relevante hoeveelheden inadembare aërosolen kunnen vrijkomen.
- a. de aërosolvormende tappunten worden verwijderd;
- b. in de toevoer naar het betreffende tappunt wordt een behandelingstechniek toegepast waardoor legionellabacteriën die in de collectieve watervoorziening of het collectieve leidingnet zijn gegroeid, in voldoende mate worden geëlimineerd. Op verzoek van de inspecteur wordt aangetoond dat deze techniek effectief is en geen onaanvaardbare neveneffecten heeft op de volksgezondheid of het milieu;
- c. overeenkomstig de paragrafen 2 tot en met 5 van deze bijlage wordt een risicoanalyse uitgevoerd voor het leidinggedeelte tussen het (centraal) leveringspunt van de collectieve watervoorziening of het collectieve leidingnet en het betreffende tappunt. Een leidingdeel dat alleen niet-aërosolvormende tappunten voedt, mag worden uitgesloten van de risicoanalyse mits aan het begin van dit leidingdeel een controleerbare keerklep aanwezig is en de aftakking direct na het (centraal) leveringspunt is aangebracht;
- d. overeenkomstig de paragrafen 2 tot en met 5 van deze bijlage wordt een risicoanalyse uitgevoerd voor de gehele collectieve watervoorziening of het collectieve leidingnet.
- – installatietekeningen of daaraan gelijkwaardige tekeningen, schema’s of beschrijvingen waaruit de leidingloop, de positie van toestellen en relevante appendages (terugstroombeveiligingen) en tappunten blijkt;
- – een overzicht van de gebruikte toestellen;
- – de bedrijfswijze en de temperatuurinstelling (ontwerp en praktijk);
- – de temperatuur van het leidingwater op tappunten die ver verwijderd zijn van het (centraal) leveringspunt of het warmwatertoestel, tappunten met een lange uittapleiding en tappunten die weinig gebruikt worden.
- – ruimtetemperaturen (ontwerp, maximum etmaalgemiddelde);
- – temperaturen boven verlaagde plafonds of in schachten of (technische) ruimten waar zich leidingen bevinden;
- – temperaturen in wanden, vloeren of plafonds waarin zich andere, warme leidingen bevinden.
- – bedrijfstijden, waaronder de perioden waarin de installatie niet wordt gebruikt vanwege bijvoorbeeld vakantie- of seizoenssluiting;
- – gebruiksfuncties van het gebouw (deel);
- – gebruiksfrequentie.
- – de functie van de installatiecomponent;
- – de materiële gegevens van de installatiecomponent;
- – de bedrijfswijze van de installatiecomponent;
- – de temperatuur van de installatiecomponent.
- 1. de grondstof, zijnde de kwaliteit van het water op de plaats waar de installatie op de plaats van levering is aangesloten;
- 2. de drinkwater- of huishoudwaterinstallatie, zijnde het leidingnet tussen het centrale leveringspunt en alle tappunten;
- 3. de warmtapwaterbereiding, zijnde alle warmwatertoestellen en hun onderlinge verbinding door middel van leidingen;
- 4. het warmwaterleidingnet, zijnde het leidingnet tussen de uitlaat van de warmtapwaterbereiding en alle tappunten, inclusief eventuele circulatiesystemen. Indien mengwatertoestellen worden toegepast, vallen hieronder zowel het mengwatertoestel als het distributiesysteem na het mengwatertoestel tot de tappunten;
- 5. de tappunten, zijnde de punten waar water door de gebruiker getapt wordt en de punten waar water voor andere huishoudelijke doeleinden gebruikt wordt waardoor het met mensen in contact kan komen.
- 1. binnen de collectieve watervoorziening of het collectieve leidingnet worden per hoofdfunctie als omschreven in voorschrift 3.1, componenten onderscheiden;
- 2. vervolgens wordt per component een risicoanalyse uitgevoerd;
- 3. daarna wordt per hoofdfunctie voor de gehele installatie een risicoanalyse uitgevoerd.
- – leidingvertakking. Het is hierbij met name van belang of de functie van een leiding en daarmee de gebruiksintensiteit verandert.
- – ruimte. Per ruimte wordt bezien of deze ruimte een verhoogde kans biedt op warme punten (hot spots) voor de drinkwaterinstallatieleidingen en warmwateruittapleidingen.
- – unieke naam of omschrijving van de component;
- – functie, ter indicatie van de regelmaat en intensiteit van de doorstroming;
- – zichtbaarheid van de component. Indien componenten geheel in de gebouwconstructie zijn weggewerkt wordt dit vastgelegd;
- – waterinhoud van voorraadtoestellen en drinkwaterreservoirs;
- – aard van de ruimte(n), ter indicatie van te verwachten hoogste temperaturen;
- – dode leidingen;
- – hot spots;
- – omschrijving opvolgende leiding(en) / tappunt(en).
- – bewoners-, gebruikers-, en beheerdersgedrag;
- – onjuist functioneren van installatiecomponenten.
- 1. De risicoanalyse voor de gehele installatie wordt gebaseerd op de risicobeschouwing per hoofdfunctie als genoemd in voorschrift 3.1.
- 2. De risicoanalyse per hoofdfunctie kan op de volgende wijze geschieden:
- – de eenvoudige werkwijze, waarbij de eis geldt dat geen enkele component van de hoofdfunctie, na eventuele acties, een negatief risico-oordeel heeft;
- – de formele risicoanalyse, waarbij gebruik wordt gemaakt van de symboliek die in voorschrift 5.2 is gegeven. Hiertoe wordt het risico-oordeel dat eerder per component is bepaald gesommeerd volgens de regels die daarvoor zijn gegeven.
- – een watertemperatuur tussen 25 en 50 °C;
- – stilstaand water;
- – lange verblijftijd;
- – biofilm en sediment.
- – watertemperaturen onder 20 °C;
- – watertemperaturen tussen 20 en 25 °C, voor zover er maximaal een week stilstand is en een goede doorstroming;
- – watertemperaturen boven 50 °C;
- – watertemperaturen boven 60 °C (in verband met afdoding; zie punt 5.1.3.);
- – doorstroming;
- – korte verblijftijd.
- – in zowel koud- als warmwatersystemen geen dode leidingen voorkomen;
- – opwarming van delen van drinkwater- of huishoudwaterinstallaties of van niet doorstroomde warmwateruittapleidingen tot boven 25 °C wordt voorkomen;
- – in geval van toepassing van alternatieve desinfecteermethoden, bij de risicobeschouwing de bij die methode aangetoonde verwijderings- of afdodingsfactoren worden gehanteerd, voor zover door beheersmaatregelen is gewaarborgd dat de methode in praktijk voortdurend deze mate van effectiviteit heeft.
- 1. Als meerdere componenten of clusters minnen of nullen scoren wordt de totale score gegeven door de slechtste score in de reeks. De component met de meeste minnen bepaalt de totale score. Meerdere componenten met een negatieve score worden dus niet opgeteld.
- 2. Als één of meer componenten gezamenlijk negatief scoren kan dit door één of meer plussen worden gecompenseerd. Bij serieschakeling van componenten met plussen mogen de positieve scores worden opgeteld.
- 3. Een min kan uitsluitend stroomafwaarts worden gecompenseerd door een plus; er kunnen geen plussen worden «gespaard».
- 4. Iedere hoofdfunctie dient aan de eis van een score 0 te voldoen.