Bijlage I Wet bekrachtiging van de oprichting van de Stichting Nederlands Instituut voor Vliegtuigontwikkeling: van de wet

Wet bekrachtiging van de oprichting van de Stichting Nederlands Instituut voor Vliegtuigontwikkeling

De Ministers van Verkeer en Waterstaat, van Financiën en van Economische Zaken, hieronder verder aangeduid als "de Ministers" vertegenwoordigende het Rijk, partij ter ene zijde en de Stichting Nederlands Instituut voor Vliegtuigontwikkeling gevestigd te 's-Gravenhage, hieronder verder aangeduid als "de Stichting", in deze krachtens Bestuursbesluit van vertegenwoordigd door het Dagelijks Bestuur, partij ter andere zijde, zijn overeengekomen als volgt: Het Bestuur der Stichting is voor de uitvoering van zijn taak, als omschreven in de Stichtingsacte, verantwoordelijk tegenover de Ministers. Het beheer der Stichting wordt gevoerd overeenkomstig een door het Bestuur vast te stellen reglement, dat de voorafgaande goedkeuring der Ministers behoeft. 1. Het Bestuur der Stichting dient jaarlijks uiterlijk de 1ste Maart bij de Minister van Verkeer en Waterstaat een ontwerpbegroting van baten en lasten voor het daarop volgende jaar in en een ontwerp-werkplan voor dat jaar. 2. Afschrift van deze stukken zendt het Bestuur aan de Ministers van Financiën en van Economische Zaken. 3. Uit de begroting moet blijken of en tot welk bedrag voor het desbetreffende jaar een tekort wordt verwacht. 4. Het Bestuur verstrekt de inlichtingen, welke met betrekking tot deze stukken door of vanwege de Ministers van Verkeer en Waterstaat, van Financiën en van Economische Zaken worden gevraagd. 5. Na ontvangst van bericht van de Minister van Verkeer en Waterstaat, op welk bedrag aan subsidie ten hoogste kan worden gerekend, stelt het Bestuur de begroting van baten en lasten vast, waarbij de aanwijzingen in acht worden genomen, welke door die Minister met betrekking tot de begroting en het werkplan worden gegeven. 6. Afschrift van de vastgestelde begroting zendt het Bestuur toe aan de beide Kamers der Staten-Generaal, aan de Algemene Rekenkamer en aan de Ministers van Verkeer en Waterstaat, van Financiën en van Economische Zaken. 7. Zo nodig wordt een gedeelte van het subsidie aan de Stichting bij w