Art. 2 Regeling uitkeringen niet-pensioengerechtigden van land- en zeemacht 1948, Stb. I 543, Uitkeringen aan gewezen vrijwillig dienende militairen
Regeling uitkeringen niet-pensioengerechtigden van land- en zeemacht 1948, Stb. I 543
1. De uitkering, bedoeld in artikel 1, bedraagt voor en wel voor elk jaar geldige diensttijd in de zin der Pensioenwetten voor de land- en zeemacht 1922 .
a. een officier met de rang van majoor, luitenant ter zee der eerste klasse of hoger drie en tachtig gulden,
b. een officier met de rang van kapitein of luitenant ter zee der tweede klasse zeven en zeventig gulden,
c. een officier beneden de rang van kapitein of luitenant ter zee der tweede klasse drie en zeventig gulden,
d. een onderofficier met de rang van sergeant of hoger een en veertig gulden,
e. een militair met de rang van korporaal vier en dertig gulden,
f. een militair met de stand van soldaat of matroos dertig gulden,
2. Indien het eindcijfer van de diensttijd, bedoeld in het vorige lid, een gedeelte van een jaar oplevert van zes maanden of meer, wordt dit gedeelte als een vol jaar in berekening genomen; een gedeelte van een jaar kleiner dan zes maanden wordt verwaarloosd.