Art. 6 Besluit ex artikel 6 Veewet, Het onschadelijk maken van ziek en verdacht vee, dat is afgemaakt of gestorven, van honden en katten, welke overeenkomstig de bepalingen van Titel IV der veewet zijn afgemaakt of, aangetast door hondsdolheid, zijn gestorven, en van besmette voorwerpen
1. Het begraven geschiedt op zoodanige diepte, dat de afstand van het hoogste gedeelte van hetgeen begraven wordt tot aan den rand van den kuil ten minste 1 Meter bedraagt.
2. De bodem van den kuil wordt met een laag kalk ter dikte van 1 decimeter bedekt. De huid en het vleesch worden te voren geheel onbruikbaar gemaakt door elkander kruisende inkervingen, die tot diep in het vleesch moeten doordringen, vervolgens overgoten met teer, petroleum of een ander tot onbruikbaarmaking geschikt middel, daarna gelijkmatig bestrooid met een laag gebrande kalk ter dikte van 1 decimeter, om ten slotte met een laag aarde tot aan den rand van de kuil te worden bedekt.
3. Verontreinigde plaatsen in de omgeving van den kuil worden afgestoken en de afgestoken laag wordt mede begraven.