Art. 537 Sv, Schadevergoeding en andere bijzondere kosten
Wetboek van Strafvordering (Sv)
1. In de gevallen waarin een vordering tot tenuitvoerlegging, als bedoeld in artikel 6:6:20, eerste lid, of artikel 6:6:21, eerste lid, wordt afgewezen of het openbaar ministerie in zijn vordering niet ontvankelijk wordt verklaard, kan de rechter die als laatste over de vordering heeft geoordeeld op verzoek van de veroordeelde hem een vergoeding ten laste van de staat toekennen voor de schade die hij heeft geleden ten gevolge van vrijheidsbeneming die voorafgaand aan de beslissing op de vordering is ondergaan.
2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing in de gevallen dat het gerechtshof in beroep de beslissing tot tenuitvoerlegging van de rechter of de rechter-commissaris vernietigt, of indien de zaak eindigt zonder oplegging van de vrijheidsbeperkende maatregel bedoeld in artikel 38v, van het Wetboek van Strafrecht.
3. Indien de rechtbank een bezwaarschrift tegen de beslissing tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling gegrond heeft geacht of de voorwaardelijke invrijheidstelling is herroepen vanwege het niet naleven van de algemene voorwaarde, maar de zaak betreffende het nieuwe strafbare feit eindigt zonder oplegging van straf of maatregel, kan de rechtbank op verzoek van de veroordeelde een vergoeding ten laste van de staat toekennen voor de schade die hij heeft geleden ten gevolge van vrijheidsbeneming ondergaan uit hoofde van artikel 6:2:13b.
4. De artikelen 533, eerste lid, tweede volzin, tweede lid, en zesde lid, 534 en 536 zijn van overeenkomstige toepassing.
Uitspraken die dit artikel aanhalen
- Hof Amsterdam 29 juni 2021, ECLI:NL:GHAMS:2021:2154
- Rb. Rotterdam 24 oktober 2022, ECLI:NL:RBROT:2022:12288
- Rb. Zeeland-West-Brabant 6 september 2021, ECLI:NL:RBZWB:2021:4781
- Rb. Overijssel 13 september 2023, ECLI:NL:RBOVE:2023:3667
- Rb. Noord-Holland 27 augustus 2021, ECLI:NL:RBNHO:2021:7356
- Hof Amsterdam 25 februari 2025, ECLI:NL:GHAMS:2025:890
- Rb. Zeeland-West-Brabant 21 december 2022, ECLI:NL:RBZWB:2022:8214
- Rb. Rotterdam 11 oktober 2024, ECLI:NL:RBROT:2024:11401
- Rb. Noord-Nederland 24 maart 2026, ECLI:NL:RBNNE:2026:1026
- Rb. Amsterdam 22 mei 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:9956
- Conclusie A-G Spronken 27 februari 2026, ECLI:NL:PHR:2026:198
- Conclusie A-G Bleichrodt 11 februari 2025, ECLI:NL:PHR:2025:184
- Conclusie A-G Harteveld 12 mei 2020, ECLI:NL:PHR:2020:447
- HR 30 juni 2026, ECLI:NL:HR:2026:1004
- Hof Arnhem-Leeuwarden 1 juli 2026, ECLI:NL:GHARL:2026:4297
- Hof Amsterdam 26 september 2025, ECLI:NL:GHAMS:2025:2461
- Hof Amsterdam 22 februari 2022, ECLI:NL:GHAMS:2022:569