Art. 6 Tramwegreglement, Maatregelen ter voorkoming van het ongewenscht met elkander in aanraking komen van voertuigen
1. Tusschen twee samenloopende of elkander kruisende sporen wordt de grens aangeduid, tot welke zich voertuigen op het eene spoor kunnen bewegen, zonder de beweging van voertuigen op het andere spoor te hinderen. Tusschen die grens en den wissel of het kruispunt mogen gelijktijdig op de beide sporen geen voertuigen worden geplaatst of voortbewogen.
2. De wijze, waarop die grens wordt aangeduid, wordt, bestuurders gehoord, door de Minister vastgesteld.