Art. 48 Tramwegreglement, Voorschriften betreffende de wielen der voertuigen
1. De wielen van alle voertuigen moeten spoorkransen hebben van voldoende afmetingen.
2. De Minister kan, voor een voertuig met meer dan twee vaste assen, van het bepaalde in het eerste lid ontheffing verleenen voor de wielen der assen, gelegen tusschen de buitenste assen.
3. De breedte van de wielen aan den omtrek moet zoo groot zijn, dat bij de grootst voorkomende speelruimte en geheel naar eenen kant verschoven as, de buitenkant van het wiel ten minste vijf en veertig millimeter voorbij den binnenkant van de spoorstaaf reikt.