Art. 39 Tramwegreglement, Voorschriften betreffende de inrichting van rijtuigen en wagens
1. De rijtuigen en wagens moeten op veeren rusten en onderling en met het trekvoertuig door veerkrachtige koppelingen verbonden kunnen worden.
2. De balcons der rijtuigen moeten van door de Minister goed te keuren beweegbare afsluitingen worden voorzien.
3. De rijtuigen moeten voorzien zijn van lampen. Het aantal, de lichtsterkte en de lichtbron behoeven de instemming van de Minister.
4. De inrichtingen, die dienen voor verwarming van de rijtuigen, behoeven de instemming van de Minister.