Art. 257 Fw, Van surseance van betaling
1. De indiening der schuldvorderingen geschiedt bij de bewindvoerders door de overlegging ener rekening of andere schriftelijke verklaring, aangevende de aard en het bedrag der vordering, vergezeld van de bewijsstukken of een afschrift daarvan.
2. Vorderingen, ten aanzien waarvan de surseance niet werkt, komen voor indiening niet in aanmerking. Heeft nochtans indiening plaats gehad, dan werkt de surseance ook ten aanzien van die vorderingen en gaat een aan de vordering verbonden voorrecht, retentierecht, pandrecht of hypotheek verloren. Een en ander geldt niet voor zover de vordering vóór de aanvang der stemming wordt teruggenomen.
3. De schuldeisers zijn bevoegd van de bewindvoerders een ontvangbewijs te vorderen.
Uitspraken die dit artikel aanhalen
- Conclusie A-G Timmerman 22 september 2017, ECLI:NL:PHR:2017:1014
- Hof Arnhem-Leeuwarden 21 juli 2015, ECLI:NL:GHARL:2015:5413
- Rb. Midden-Nederland 11 juni 2015, ECLI:NL:RBMNE:2015:4145
- Rb. Den Haag 13 november 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:18898
- Rb. Amsterdam 28 mei 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:3197
- Hof Amsterdam 22 februari 2007, ECLI:NL:GHAMS:2007:BA0757