Art. 50 Spoorwegwet 1875, Van het beschikken over de spoorwegen in het belang van ’s Rijks dienst
1. Het geheel of gedeeltelijk gebruik van elken spoorweg en van het aan eene spoorwegonderneming toebehoorende materieel kan ten allen tijde door Ons, in het belang van ’s Rijks dienst, tegen schadeloosstelling worden gevorderd.
2. Indien het gebruik voor ’s Rijks dienst, als bedoeld in de eerste alinea, nodig is in het belang van ’s lands verdediging, kan de bedoelde vordering geschieden door de Minister van Defensie.
3. De schadeloosstelling wordt, bij gebreke van minnelijke schikking, door den regter bepaald.