Art. 39 Verordening (EU) 2024/1348, Beslissing over de gegrondheid van een verzoek
1. Een verzoek wordt niet ten gronde behandeld indien:
a) een andere lidstaat verantwoordelijk is overeenkomstig Verordening (EU) 2024/1351;
b) een verzoek wordt afgewezen als niet-ontvankelijk overeenkomstig artikel 38, of
c) een verzoek expliciet of impliciet wordt ingetrokken, onverminderd artikel 40, lid 2, en artikel 41, lid 5.
2. Bij de behandeling van een verzoek ten gronde beslist de beslissingsautoriteit of de verzoeker als vluchteling kan worden aangemerkt, en, indien dat niet het geval is, gaat zij na of de verzoeker in aanmerking komt voor subsidiaire bescherming overeenkomstig Verordening (EU) 2024/1347.
3. De beslissingsautoriteit wijst een verzoek af als ongegrond indien zij heeft vastgesteld dat de verzoeker niet in aanmerking komt voor internationale bescherming op grond van Verordening (EU) 2024/1347.
4. De beslissingsautoriteit kan op grond van het nationale recht bevoegd worden gemaakt een ongegrond verzoek kennelijk ongegrond te verklaren als op het tijdstip van afronding van de behandeling één van de gevallen als bedoeld in artikel 42, leden 1 en 3, van toepassing is.