Art. 44 Verordening (EU) 2024/1157, Algemene regeling voor de uitvoer van afvalstoffen

Verordening (EU) 2024/1157

1. Indien afvalstoffen zoals bedoeld in artikel 4, leden 2 tot en met 5, uit de Unie worden uitgevoerd en bestemd worden voor nuttige toepassing in landen waarop het OESO-besluit van toepassing is, al dan niet met doorvoer via landen waarop het OESO-besluit van toepassing is, zijn de bepalingen van titel II, met de in de leden 2, 3, 4 en 6, uiteengezette wijzigingen en aanvullende bepalingen, van overeenkomstige toepassing.

2. De volgende wijzigingen zijn van toepassing:

a) de kennisgever verstrekt als bijlage bij het kennisgevingsdocument bewijsstukken waaruit blijkt dat in de inrichting waarnaar de afvalstoffen worden uitgevoerd een audit zoals bedoeld in artikel 46, lid 3, is uitgevoerd, tenzij de vrijstelling van artikel 46, lid 11, van toepassing is;

b) op voor een voorlopige handeling bestemde mengsels van afvalstoffen die zijn opgenomen in bijlage III A is de procedure van voorafgaande schriftelijke kennisgeving en toestemming van toepassing indien een aansluitende voorlopige of niet-voorlopige handeling tot nuttige toepassing of aansluitende niet-voorlopige handeling tot verwijdering plaatsvindt in een land waarop het OESO-besluit niet van toepassing is;

c) onder code B3011 vallende afvalstoffen zijn onderworpen aan de procedure van voorafgaande schriftelijke kennisgeving en toestemming;

d) afvalstoffen die zijn opgenomen in bijlage III B en overbrengingen van afvalstoffen die bestemd zijn voor experimentele proeven zoals bedoeld in artikel 4, lid 5, zijn onderworpen aan de procedure van voorafgaande schriftelijke kennisgeving en toestemming;

e) overbrengingen van afvalstoffen die bestemd zijn voor laboratoriumanalyse zoals bedoeld in artikel 4, lid 5, zijn onderworpen aan de procedure van voorafgaande schriftelijke kennisgeving en toestemming, tenzij de hoeveelheid van dergelijke afvalstoffen is vastgesteld op basis van de minimumhoeveelheid die redelijkerwijs nodig is om de analyse in elk afzonderlijk geval naar behoren uit te voeren, en niet meer dan 25 kg bedraagt, in welk geval de procedurele voorschriften van artikel 18 van toepassing zijn;

f) de uitvoer van in artikel 4, lid 3, bedoelde afvalstoffen is verboden;

g) de overeenkomstig artikel 9 vereiste toestemming mag stilzwijgend worden verleend door de bevoegde autoriteit van bestemming buiten de Unie;

h) de toestemming voor de overbrenging van bepaalde afvalstoffen overeenkomstig artikel 9 wordt door de bevoegde autoriteit van verzending ingetrokken wanneer een gedelegeerde handeling overeenkomstig artikel 45, lid 6, in werking is getreden op grond waarvan de uitvoer van dergelijke afvalstoffen naar het betrokken land verboden is;

i) de in artikel 15, lid 3, en artikel 16, lid 5, bedoelde inrichting verstrekt de respectieve bevestiging binnen drie werkdagen na ontvangst van de afvalstoffen.

3. Op de uitvoer van afvalstoffen zoals bedoeld in artikel 4, lid 2, zijn de in artikel 38, lid 2, punten a) tot en met e), en artikel 38, lid 3, punten b) tot en met g), vermelde aanpassingen en aanvullende bepalingen van toepassing.

4. Wat de uitvoer van in artikel 4, lid 4, bedoelde afvalstoffen betreft, zorgt de opdrachtgever van de overbrenging ervoor dat de informatie die de inrichting overeenkomstig artikel 18, leden 8 en 9, moet verstrekken, wordt opgenomen in een in artikel 27 bedoeld systeem, tenzij de inrichting is aangesloten op een in artikel 27 bedoeld systeem.

5. De overbrenging van afvalstoffen waarvoor de voorafgaande schriftelijke kennisgeving en toestemming vereist is, mag alleen plaatsvinden indien aan alle volgende voorwaarden is voldaan:

a) de kennisgever heeft schriftelijke toestemming gekregen van de bevoegde autoriteiten van verzending en van bestemming en, waar passend, van doorvoer, of de bevoegde autoriteiten van bestemming en doorvoer buiten de Unie hebben voorzien in stilzwijgende toestemming of dergelijke stilzwijgende toestemming kan worden verondersteld en aan de voorwaarden die zijn vastgelegd in die toestemmingen of de bijlagen daarbij is voldaan;

b) er is voldaan aan artikel 38, lid 4, punt b).

6. Bij de in lid 1 bedoelde uitvoer van in artikel 4, lid 2, bedoelde afvalstoffen met doorvoer via een land waarop het OESO-besluit niet van toepassing is, gelden de volgende wijzigingen:

a) de bevoegde autoriteit van doorvoer van het land waarop het OESO-besluit niet van toepassing is, beschikt vanaf de datum van de verzending van de bevestiging van ontvangst van een volledige kennisgeving over een termijn van 60 dagen om stilzwijgende toestemming of al dan niet aan voorwaarden verbonden schriftelijke toestemming te verlenen indien het betrokken land afgezien heeft van voorafgaande schriftelijke toestemming en de overige partijen bij het Verdrag van Bazel daarover heeft geïnformeerd overeenkomstig artikel 6, lid 4, van dat verdrag;

b) de bevoegde autoriteit van verzending in de Unie neemt het besluit om toestemming te verlenen voor de overbrenging zoals bedoeld in artikel 9 slechts na ontvangst van stilzwijgende of schriftelijke toestemming van de bevoegde autoriteit van doorvoer van het land waarop het OESO-besluit niet van toepassing is, en niet eerder dan 61 dagen na de datum van verzending van de bevestiging van ontvangst van een volledige kennisgeving door een bevoegde autoriteit van doorvoer buiten de Unie, tenzij de bevoegde autoriteit van verzending de schriftelijke toestemming van de andere betrokken bevoegde autoriteiten heeft ontvangen, in welk geval zij het in artikel 9 bedoelde besluit vóór die termijn kan nemen.

7. Bij de uitvoer van afvalstoffen vindt de nuttige toepassing plaats in een inrichting die uit hoofde van het toepasselijke nationale recht in het land van bestemming geëxploiteerd wordt of mag worden.

8. Artikel 38, lid 6, is van toepassing.

Vorige artikelen

Volgende artikelen