Art. 83, Controlesysteem voor de conditionaliteit
1. De lidstaten zetten een systeem op om te verifiëren dat de volgende categorieën begunstigden voldoen aan de in titel III, hoofdstuk 1, afdeling 2, van Verordening (EU) 2021/2115 vastgelegde verplichtingen:
a) begunstigden die rechtstreekse betalingen ontvangen uit hoofde van titel III, hoofdstuk II, van Verordening (EU) 2021/2115;
b) begunstigden die jaarlijkse betalingen ontvangen uit hoofde van de artikelen 70, 71 en 72 van Verordening (EU) 2021/2115;
c) begunstigden die steun ontvangen uit hoofde van hoofdstuk IV van Verordening (EU) nr. 228/2013 of hoofdstuk IV van Verordening (EU) nr. 229/2013.
2. De lidstaten die artikel 28 van Verordening (EU) 2021/2115 toepassen, kunnen een vereenvoudigd controlesysteem opzetten:
a) voor begunstigden die betalingen ontvangen op grond van artikel 28 van Verordening (EU) 2021/2115, of
b) voor kleine landbouwers zoals bepaald door de lidstaten krachtens artikel 28 van Verordening (EU) 2021/2115 die dergelijke betalingen niet aanvragen.
Wanneer een lidstaat artikel 28 van Verordening (EU) 2021/2115 niet toepast, kan die lidstaat een vereenvoudigd controlesysteem opzetten voor landbouwers met bedrijven met een maximale omvang van vijf hectare landbouwareaal dat is aangegeven overeenkomstig artikel 69, lid 1, van deze verordening.
3. De lidstaten kunnen voor het handhaven van de conditionaliteitsregels hun bestaande controlesystemen en administratie gebruiken.
Deze systemen zijn compatibel met de in de leden 1 en 2 bedoelde controlesystemen.
4. De lidstaten onderwerpen in het licht van de bereikte resultaten de in de leden 1 en 2 bedoelde controlesystemen aan een jaarlijkse evaluatie.
5. Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder:
a) “eis”: elke afzonderlijke uit de regelgeving voortvloeiende beheerseis in een bepaalde wetgevingshandeling waarnaar verwezen wordt in het in artikel 12 van Verordening (EU) 2021/2115 genoemde Unierecht en die inhoudelijk verschilt van de andere in diezelfde wetgevingshandeling gestelde eisen;
b) “wetgevingshandeling”: elk van de richtlijnen en verordeningen als bedoeld in artikel 12 van Verordening (EU) 2021/2115;
c) “herhaling van niet-naleving”: een binnen een periode van drie opeenvolgende kalenderjaren meer dan eenmaal geconstateerde niet-naleving van dezelfde eis of norm, op voorwaarde dat de begunstigde op de hoogte is gebracht van eerdere niet-naleving en, waar dit ter zake doet, de mogelijkheid heeft gehad de nodige maatregelen te nemen om die eerdere niet-naleving te corrigeren.
6. Teneinde te voldoen aan hun controleverplichtingen als vastgesteld in de leden 1 tot en met 4:
a) stellen de lidstaten controles ter plaatse in waarbij wordt nagegaan of de begunstigden voldoen aan de verplichtingen van titel III, hoofdstuk I, afdeling 2, van Verordening (EU) 2021/2115;
b) kunnen de lidstaten, afhankelijk van de betrokken eisen, normen, wetgevingshandelingen of conditionaliteitsgebieden, besluiten om gebruik te maken van de controles, administratieve controles inbegrepen, die in het kader van de controlesystemen voor de eis, de norm, de wetgevingshandeling of het conditionaliteitsgebied in kwestie zijn verricht, mits die controles ten minste even doeltreffend zijn als de in punt a) bedoelde controles ter plaatse;
c) kunnen de lidstaten voor het uitvoeren van de in punt a) bedoelde controles ter plaatse waar passend gebruikmaken van teledetectie, het areaalmonitoringsysteem of andere relevante ondersteunende technologieën;
d) stellen de lidstaten de te controleren groep voor de jaarlijkse in punt a) bedoelde controles ter plaatse vast op basis van een risicoanalyse:
i) waarbij rekening wordt gehouden met en wegingsfactoren worden toegepast op de structuur van landbouwbedrijven, het inherente risico op niet-naleving en, indien van toepassing, de deelname van begunstigden aan de bedrijfsadviesdiensten voor de landbouw als bedoeld in artikel 15 van Verordening (EU) 2021/2115,
ii) die is voorzien van een aselecte component, en
iii) waarvoor geldt dat de te controleren groep ten minste 1 % van de in lid 1 van dit artikel vermelde begunstigden omvat;
e) stellen de lidstaten, wat de conditionaliteitsverplichtingen in verband met Richtlijn 96/22/EG van de Raad (35) betreft, dat met de toepassing van een specifiek controleniveau voor de monitoringplannen geacht wordt te zijn voldaan aan het in punt d) van dit lid vereiste minimumpercentage;
f) kunnen de lidstaten, wanneer ze gebruikmaken van het in lid 2 bedoelde vereenvoudigde controlesysteem, besluiten de verificatie van de naleving van de in punt a) bedoelde verplichtingen uit te sluiten van de in dat punt bedoelde controles ter plaatse, indien kan worden aangetoond dat gevallen van niet-naleving door de betrokken begunstigden geen significante gevolgen kunnen hebben voor de verwezenlijking van de doelstellingen van de betrokken rechtshandelingen en normen.