Art. 16 Verordening (EU) 2021/1060, Prestatiekader
1. Elke lidstaat stelt een prestatiekader op om de prestaties van het programma tijdens de uitvoering ervan te kunnen monitoren, erover te kunnen rapporteren en ze te kunnen evalueren en om bij te dragen tot het meten van de algemene prestaties van de fondsen.
Het prestatiekader bestaat uit:
a) output- en resultaatindicatoren, gekoppeld aan specifieke, voor het programma geselecteerde doelstellingen die in de fondsspecifieke verordeningen zijn vastgesteld;
b) tussendoelen voor de outputindicatoren die uiterlijk eind 2024 moeten zijn bereikt, en
c) einddoelen voor de output- en resultaatindicatoren die uiterlijk eind 2029 moeten zijn bereikt.
2. Er worden tussen- en einddoelen vastgesteld met betrekking tot elke specifieke doelstelling binnen een programma, met uitzondering van technische bijstand en van de in artikel 4, lid 1, punt m), van de ESF+-verordening bedoelde specifieke doelstelling voor het bestrijden van materiële deprivatie.
3. Tussen- en einddoelen stellen de Commissie en de lidstaat in staat de vooruitgang bij de verwezenlijking van de specifieke doelstellingen te meten. Zij voldoen aan de in artikel 33, lid 3, van het Financieel Reglement bedoelde vereisten.