Art. 87 Verordening (EU) 2021/23, Wijziging van Verordening (EU) nr. 648/2012

Verordening (EU) 2021/23

Verordening (EU) nr. 648/2012 wordt als volgt gewijzigd:

1) Het volgende artikel wordt ingevoegd:

“Artikel 6 ter

Opschorting van de clearingverplichting in het geval van afwikkeling

1. Indien een CTP voldoet aan de voorwaarden van artikel 22 van Verordening (EU) 2021/23 van het Europees Parlement en de Raad (*), kan de overeenkomstig artikel 3, lid 1, van die verordening aangewezen afwikkelingsautoriteit, de overeenkomstig artikel 22, lid 1, van deze verordening aangewezen bevoegde autoriteit op eigen initiatief of op verzoek van een bevoegde autoriteit die verantwoordelijk is voor het toezicht op een clearinglid van de CTP in afwikkeling de Commissie verzoeken om opschorting van de clearingverplichting in artikel 4, lid 1, van deze verordening, voor specifieke categorieën otc-derivaten of voor een specifiek type tegenpartij, mits aan de volgende voorwaarden is voldaan:

a) aan de CTP in afwikkeling is een vergunning verleend om de specifieke categorieën van onder de clearingverplichting vallende otc-derivaten te clearen waarvoor opschorting is aangevraagd, en

b) de opschorting van de clearingverplichting voor die specifieke categorieën van otc-derivaten of voor een specifiek type tegenpartij is noodzakelijk om een ernstige dreiging voor de financiële stabiliteit of voor de ordelijke werking van de financiële markten in de Unie in verband met de afwikkeling van de CTP te voorkomen of aan te pakken, en die opschorting staat in verhouding tot die doeleinden.

Het in de eerste alinea bedoelde verzoek gaat vergezeld van bewijs dat aan de voorwaarden onder a) en b) van die alinea is voldaan.

De in de eerste alinea bedoelde autoriteit zendt haar met redenen omkleed verzoek toe aan de ESMA en het ESRB op het moment dat het verzoek bij de Commissie wordt ingediend.

2. De ESMA brengt, binnen 24 uur na kennisgeving van het in lid 1, eerste alinea, van dit artikel, bedoelde verzoek van de autoriteit en, voor zover mogelijk, na raadpleging van het ESRB, een advies uit over de voorgenomen opschorting, rekening houdend met de noodzaak om een ernstige dreiging voor de financiële stabiliteit of voor de ordelijke werking van de financiële markten in de Unie te voorkomen of aan te pakken, de in artikel 21 van Verordening (EU) 2021/23 neergelegde afwikkelingsdoelstellingen en de in artikel 5, leden 4 en 5, van deze verordening beschreven criteria.

3. Indien de opschorting van de clearingverplichting door de ESMA wordt beschouwd als een materiële wijziging in de criteria met het oog op de inwerkingtreding van de handelsverplichting, als bedoeld in artikel 32, lid 5, van Verordening (EU) nr. 600/2014, kan de ESMA de Commissie verzoeken om de in artikel 28, leden 1 en 2, van die verordening neergelegde handelsverplichting op te schorten voor dezelfde specifieke categorieën van otc-derivaten waarop het verzoek tot opschorting van de clearingverplichting van toepassing is.

De ESMA dient haar met redenen omkleed verzoek bij de in de lid 1, eerste alinea, bedoelde autoriteit en het ESRB in op het moment dat het verzoek bij de Commissie wordt ingediend.

4. De in de leden 1 en 3 bedoelde verzoeken en het in lid 2 bedoelde advies worden niet openbaar gemaakt.

5. Na ontvangst van het in lid 1 bedoelde verzoek, op basis van de motivering en het bewijsmateriaal verstrekt door de in lid 1 bedoelde autoriteit, schort de Commissie zonder onnodige vertraging de clearingverplichting voor specifieke categorieën van otc-derivaten bij uitvoeringshandeling op of verwerpt zij de gevraagde opschorting.

Bij de vaststelling van de in de eerste alinea bedoelde uitvoeringshandeling houdt de Commissie rekening met het in lid 2 van dit artikel bedoelde advies van de ESMA, de in artikel 21 van Verordening (EU) 2021/23 neergelegde afwikkelingsdoelstellingen, de in artikel 5, leden 4 en 5, van deze verordening beschreven criteria met betrekking tot die categorieën van otc-derivaten, en de noodzaak van de opschorting om een ernstige dreiging voor de financiële stabiliteit of de ordelijke werking van de financiële markten in de Unie te voorkomen of aan te pakken.

Indien de Commissie de gevraagde opschorting verwerpt, verstrekt zij daarvoor een schriftelijke motivering aan de in lid 1, eerste alinea, bedoelde verzoekende autoriteit en de ESMA. De Commissie stelt het Europees Parlement en de Raad daarvan onmiddellijk in kennis en stuurt hun de motivering toe die aan de in lid 1, eerste alinea, bedoelde verzoekende autoriteit en aan de ESMA is verstrekt. Die informatie wordt niet openbaar gemaakt.

De in dit lid, eerste alinea, bedoelde uitvoeringshandeling wordt volgens de in artikel 86, lid 3, bedoelde procedure vastgesteld.

6. Indien de ESMA daarom overeenkomstig lid 3 van dit artikel verzoekt, kan de uitvoeringshandeling tot opschorting van de clearingverplichting tevens voorzien in de opschorting van de in artikel 28, leden 1 en 2, van Verordening (EU) nr. 600/2014 neergelegde handelsverplichting voor dezelfde specifieke categorieën van otc-derivaten waarop de opschorting van de clearingverplichting van toepassing is.

7. De opschorting van de clearingverplichting en, waar toepasselijk, van de handelsverplichting wordt aan de in lid 1, eerste alinea, van dit artikel, bedoelde verzoekende autoriteit en aan de ESMA meegedeeld en in het Publicatieblad van de Europese Unie, op de website van de Commissie en in het in artikel 6 bedoelde openbare register bekendgemaakt.

8. De opschorting van de clearingverplichting op grond van lid 5 is geldig voor een initiële periode van maximaal drie maanden vanaf de datum van toepassing van die opschorting.

De in lid 6 bedoelde opschorting van de handelsverplichting geldt voor dezelfde initiële periode.

9. Indien de redenen voor de opschorting blijven gelden, kan de Commissie de in lid 5 bedoelde opschorting bij uitvoeringshandeling verlengen met aanvullende perioden van niet meer dan drie maanden, waarbij de totale periode van de opschorting niet meer dan twaalf maanden bedraagt. Alle verlengingen van de opschorting worden bekendgemaakt overeenkomstig lid 7.

De in dit lid, eerste alinea, bedoelde uitvoeringshandeling wordt volgens de in artikel 86, lid 3, bedoelde procedure vastgesteld.

10. De in lid 1, eerste alinea, bedoelde autoriteiten kunnen de Commissie geruime tijd vóór het einde van de in lid 5 bedoelde initiële opschortingsperiode of de in lid 9 bedoelde verlengingsperiode om een verlenging van de opschorting van de clearingverplichting verzoeken.

Het verzoek gaat vergezeld van bewijs dat bij voortduring aan de voorwaarden in lid 1, eerste alinea, onder a) en b), is voldaan.

De in de eerste alinea bedoelde autoriteit brengt haar met redenen omkleed verzoek ter kennis van de ESMA en het ESRB op het moment dat het verzoek aan de Commissie wordt voorgelegd.

Het in de eerste alinea bedoelde verzoek wordt niet openbaar gemaakt.

De ESMA brengt, zonder onnodige vertraging na ontvangst van de kennisgeving van het verzoek en, indien zij zulks nodig acht, na raadpleging van het ESRB, een advies aan de Commissie uit over de vraag of de redenen voor de opschorting nog steeds gelden, rekening houdend met de noodzaak om een ernstige dreiging voor de financiële stabiliteit of de ordelijke werking van de financiële markten in de Unie te voorkomen of aan te pakken, de in artikel 21 van Verordening (EU) 2021/23 neergelegde afwikkelingsdoelstellingen en de in artikel 5, leden 4 en 5, van deze verordening beschreven criteria. ESMA doet een exemplaar van dat advies toekomen aan het Europees Parlement en aan de Raad. Dat advies wordt niet openbaar gemaakt.

De uitvoeringshandeling tot verlenging van de opschorting van de clearingverplichting kan tevens voorzien in de verlenging van de in lid 6 bedoelde periode van de opschorting van de handelsverplichting.

De verlenging van de opschorting van de handelsverplichting geldt voor dezelfde periode als de verlenging van de opschorting van de clearingverplichting.

(*) Verordening (EU) 2021/23 van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2020 betreffende een kader voor het herstel en de afwikkeling van centrale tegenpartijen en tot wijziging van de Verordeningen (EU) nr. 1095/2010, (EU) nr. 648/2012, (EU) nr. 600/2014, (EU) nr. 806/2014 en (EU) 2015/2365 en Richtlijnen 2002/47/EG, 2004/25/EG, 2007/36/EG, 2014/59/EU en (EU) 2017/1132 (PB L 022 van 22.1.2021, blz. 1).”."

2) Het volgende artikel wordt ingevoegd:

“Artikel 13 bis

Vervanging van rentevoetbenchmarks in transacties uit het verleden

1. Tegenpartijen als bedoeld in artikel 11, lid 3, kunnen de risicobeheerprocedures blijven toepassen waarover zij op de datum van toepassing van deze verordening beschikken met betrekking tot niet centraal geclearde otc-derivatencontracten die zijn gesloten of verlengd vóór de datum waarop de verplichting om over risicobeheerprocedures te beschikken op grond van artikel 11, lid 3, in werking treedt, indien die contracten na 11 februari 2021 uitsluitend worden verlengd om de rentevoetbenchmark die zij vermelden, te vervangen of om terugvalbepalingen in verband met die benchmark in te voeren.

2. Transacties die zijn afgesloten of vernieuwd vóór de datum waarop de clearingverplichting op grond van artikel 4 in werking treedt, en die, na 11 februari 2021, vervolgens uitsluitend worden vernieuwd om de rentevoetbenchmark die zij vermelden, te vervangen of om terugvalbepalingen in verband met die benchmark in te voeren, worden niet om die reden onderworpen aan de in artikel 4 bedoelde clearingverplichting.”.

3) In artikel 24 bis, lid 7, wordt punt b) vervangen door:

“b) minstens eenmaal per jaar overeenkomstig artikel 32, lid 2, van Verordening (EU) nr. 1095/2010 Uniebrede evaluaties organiseren en coördineren ter beoordeling van de vraag in hoeverre CTP’s bestand zijn tegen ongunstige marktontwikkelingen, indien mogelijk rekening houdend met de geaggregeerde gevolgen van de herstel- en afwikkelingsregelingen voor CTP’s voor de financiële stabiliteit in de Unie;”.

4) In artikel 28 wordt lid 3 vervangen door:

“3. Het risicocomité adviseert de raad over regelingen die gevolgen kunnen hebben voor het risicobeheer van de CTP, zoals onder meer een significante wijziging in het risicomodel, de procedures in geval van wanbetaling, de criteria voor de aanvaarding van clearingleden, de clearing van nieuwe categorieën instrumenten of de uitbesteding van functies. De Commissie stelt de raad tijdig in kennis van alle nieuwe risico’s die gevolgen hebben voor de veerkracht van de CTP. Voor de dagelijkse bedrijfsactiviteiten van de CTP is geen advies van het risicocomité vereist. Er worden redelijke inspanningen verricht om het risicocomité te raadplegen over ontwikkelingen die gevolgen hebben voor het risicobeheer van de CTP in noodsituaties, met inbegrip van ontwikkelingen met betrekking tot blootstellingen van clearingleden aan de CTP en de onderlinge afhankelijkheid met andere CTP’s.”.

5) In artikel 28 wordt lid 5 vervangen door:

“5. Een CTP stelt de bevoegde autoriteit en het risicocomité onmiddellijk in kennis van een besluit van de raad om het advies van het risicocomité niet te volgen en motiveert een dergelijk besluit. Indien het risicocomité of een lid van het risicocomité van oordeel is dat het advies van het risicocomité op een bepaald gebied niet is gevolgd, kan het de bevoegde autoriteit daarvan in kennis stellen.”.

6) Aan artikel 37, lid 2, wordt de volgende alinea toegevoegd:

“De CTP stelt de bevoegde autoriteit in kennis van elke significante negatieve ontwikkeling in het risicoprofiel van elk van haar clearingleden die is vastgesteld in de context van de in de eerste alinea bedoelde beoordeling van de CTP, of een andere beoordeling met een soortgelijke conclusie, met inbegrip van elke verhoging van het risico dat een clearinglid voor de CTP oplevert wanneer deze verhoging volgens de CTP aanleiding kan geven tot een wanbetalingsprocedure.”.

7) Aan artikel 38 wordt het volgende lid toegevoegd:

“8. De clearingleden van de CTP informeren hun bestaande en potentiële cliënten duidelijk over de mogelijke verliezen of andere kosten die zij zouden kunnen dragen ten gevolge van de toepassing van de procedures voor wanbetalingsbeheer en de regelingen voor verlies- en positietoewijzing op grond van de werkingsregels van de CTP, waaronder het type vergoeding dat zij kunnen ontvangen, rekening houdend met artikel 48, lid 7. Cliënten krijgen voldoende gedetailleerde informatie zodat zij begrijpen met welke maximale verliezen of andere kosten zij kunnen worden geconfronteerd indien de CTP herstelmaatregelen neemt.”.

8) Het volgende artikel wordt ingevoegd:

“Artikel 45 bis

Tijdelijke beperkingen in geval van een significante andere gebeurtenis dan een wanbetaling

1. In het geval van een significante andere gebeurtenis dan een wanbetaling zoals omschreven in artikel 2, punt 9, van Verordening (EU) 2021/23, kan de bevoegde autoriteit verlangen dat de CTP afziet van een of meer van de volgende acties gedurende een door de bevoegde autoriteit gespecificeerde periode van maximaal vijf jaar:

a) uitkeren van dividenden of doen van een onherroepelijke toezegging om dividenden uit te keren, met uitzondering van de rechten op dividenden die specifiek in Verordening (EU) 2021/23 als vorm van vergoeding worden genoemd;

b) herinkopen van gewone aandelen;

c) scheppen van een verplichting tot het betalen van een variabele beloning zoals omschreven in het beloningsbeleid van de CTP overeenkomstig artikel 26, lid 5, van deze verordening, discretionaire pensioenuitkeringen of ontslagvergoedingen aan de directie zoals omschreven in artikel 2, punt 29, van deze verordening.

De bevoegde autoriteit weerhoudt de CTP er niet van de in de eerste alinea bedoelde acties uit te voeren indien de CTP wettelijk verplicht is die actie uit te voeren en die verplichting van vóór de in de eerste alinea bedoelde gebeurtenissen dateert.

2. De bevoegde autoriteit kan besluiten af te zien van de in lid 1 bedoelde beperkingen wanneer zij van oordeel is dat het afzien van die beperkingen de hoeveelheid of de beschikbaarheid van de eigen middelen van de CTP, en met name de eigen middelen die als herstelmaatregel kunnen worden gebruikt, niet vermindert.

3. De ESMA stelt uiterlijk op 12 februari 2022 overeenkomstig artikel 16 van Verordening (EU) nr. 1095/2010 richtsnoeren op tot nadere bepaling van de omstandigheden waarin de bevoegde autoriteit kan verlangen dat de CTP geen van de in lid 1 van dit artikel bedoelde acties onderneemt.”.

9) Aan artikel 81, lid 3, eerste alinea, wordt het volgende punt toegevoegd:

“r) de afwikkelingsautoriteiten die zijn aangewezen overeenkomstig artikel 3 van Verordening (EU) 2021/23.”.

Vorige artikelen

Volgende artikelen