Art. 10 Gedelegeerde Verordening (EU) 2020/688, Voorschriften voor verplaatsingen van gehouden runderen naar andere lidstaten

Gedelegeerde Verordening (EU) 2020/688

1. Exploitanten verplaatsen gehouden runderen alleen naar een andere lidstaat als aan de volgende voorschriften is voldaan:

a) de dieren hebben gedurende ten minste 30 dagen voor het vertrek of, indien zij jonger zijn dan 30 dagen, sedert hun geboorte, ononderbroken in de inrichting verbleven en zijn gedurende die periode niet in contact geweest met gehouden runderen met een lagere gezondheidsstatus of waarvoor om diergezondheidsredenen verplaatsingsbeperkingen gelden, of met gehouden dieren die afkomstig zijn van een inrichting die niet aan de onder b) vastgestelde voorschriften voldeed;

b) dieren die in de laatste 30 dagen voor het vertrek van de onder a) bedoelde dieren uit een derde land of gebied de Unie zijn binnengekomen en zijn binnengebracht in de inrichting waar de onder a) bedoelde dieren verbleven, zijn gescheiden gehouden om direct en indirect contact met alle andere dieren in die inrichting te voorkomen;

c) de dieren zijn afkomstig van een inrichting die vrij is van infectie met Brucella abortus, B. melitensis en B. suis zonder dat de runderen er worden gevaccineerd, en aan een van de volgende voorwaarden is voldaan:

i) de inrichting bevindt zich in een lidstaat of een zone daarvan met de status vrij van infectie met Brucella abortus, B. melitensis en B. suis wat de runderpopulatie betreft;

of

ii) de dieren zijn met gebruikmaking van een van de in bijlage I, deel 1, vermelde diagnostische methoden met negatief resultaat onderworpen aan een test op infectie met Brucella abortus, B. melitensis en B. suis, die is uitgevoerd op een monster dat in de laatste 30 dagen voor het vertrek is genomen, en in het geval van vrouwelijke dieren die pas hebben geworpen, op een monster dat ten minste 30 dagen na het werpen is genomen;

of

iii) de dieren zijn jonger dan twaalf maanden;

of

iv) de dieren zijn gecastreerd;

d) de dieren zijn afkomstig van een inrichting vrij van infectie met het Mycobacterium tuberculosis-complex (M. bovis, M. caprae en M. tuberculosis), en aan ten minste één van de volgende voorwaarden is voldaan:

i) de inrichting bevindt zich in een lidstaat of een zone daarvan met de status vrij van infectie met het Mycobacterium tuberculosis-complex (M. bovis, M caprae en M. tuberculosis);

of

ii) de dieren zijn in de laatste 30 dagen voor het vertrek met gebruikmaking van een van de in bijlage I, deel 2, vermelde diagnostische methoden met negatief resultaat onderworpen aan een test op infectie met het Mycobacterium tuberculosis-complex (M. bovis, M. caprae en M. tuberculosis);

of

iii) de dieren zijn jonger dan zes weken;

e) de dieren zijn afkomstig van een inrichting waar in de laatste 30 dagen voor het vertrek geen melding is gemaakt van infectie met het rabiësvirus bij gehouden landdieren;

f) de dieren zijn afkomstig van een inrichting die zich bevindt in een gebied met een straal van ten minste 150 km rond die inrichting waarin in de laatste twee jaar voor het vertrek geen melding is gemaakt van infectie met het virus van epizoötische hemorragische ziekte bij gehouden dieren van de voor die ziekte in de lijst opgenomen soorten;

g) de dieren zijn afkomstig van een inrichting waar in de laatste 15 dagen voor het vertrek geen melding is gemaakt van miltvuur bij hoefdieren;

h) de dieren zijn afkomstig van een inrichting waar in de laatste 30 dagen voor het vertrek geen melding is gemaakt van surra (Trypanosoma evansi), en als de dieren afkomstig zijn van een inrichting waar in de laatste twee jaar voor het vertrek melding is gemaakt van surra (Trypanosoma evansi), is de getroffen inrichting sinds de laatste uitbraak onderworpen aan verplaatsingsbeperkingen tot:

i) de besmette dieren van de inrichting zijn verwijderd;

en

ii) de overblijvende dieren in de inrichting met gebruikmaking van een van de in bijlage I, deel 3, vermelde diagnostische methoden met negatief resultaat onderworpen zijn aan een test voor de opsporing van surra (Trypanosoma evansi), die is uitgevoerd op monsters die ten minste zes maanden na de verwijdering van de besmette dieren uit de inrichting zijn genomen;

i) behalve in het geval van de in artikel 11, lid 4, artikel 12, lid 4, en artikel 13 bedoelde gehouden runderen, voldoen de dieren aan ten minste één van de voorschriften ten aanzien van infectie met het bluetonguevirus (serotypen 1-24) zoals vastgesteld in bijlage V, deel II, hoofdstuk 2, afdeling 1, punten 1 tot en met 3, bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2020/689;

j) aan de voorwaarden van de artikelen 32 en 33 is voldaan, indien van toepassing.

2. Het bepaalde in lid 1 is niet van toepassing op gehouden runderen die voor de slacht bestemd zijn als bedoeld in artikel 14.