Art. 64 Gedelegeerde Verordening (EU) 2019/2035, Regels voor gegevens in geautomatiseerde gegevensbestanden van gehouden paardachtigen

Gedelegeerde Verordening (EU) 2019/2035

De bevoegde autoriteit slaat de in artikel 109, lid 1, onder d), van Verordening (EU) 2016/429 bedoelde gegevens met betrekking tot gehouden paardachtigen op in een geautomatiseerd gegevensbestand overeenkomstig de volgende regels:

a) voor de inrichting waar die paardachtigen gewoonlijk worden gehouden, moeten de volgende gegevens worden geregistreerd:

i) het aan die inrichting toegekende unieke registratienummer;

ii) de naam en het adres van de exploitant van de inrichting;

b) voor elke paardachtige die gewoonlijk in de inrichting wordt gehouden, moeten de volgende gegevens worden geregistreerd:

i) de unieke code;

ii) indien beschikbaar, de identificatiecode van het dier zoals die op een fysiek identificatiemiddel staat;

iii) indien de geïnjecteerde transponder niet is goedgekeurd door de bevoegde autoriteit van de lidstaat waar de paardachtige overeenkomstig artikel 58, lid 2, is geïdentificeerd, het uitleessysteem van die transponder;

iv) alle informatie betreffende voor het dier afgegeven nieuwe of vervangende identificatiedocumenten of duplicaten van identificatiedocumenten;

v) de soort waartoe het dier behoort;

vi) het geslacht van de dieren, met de mogelijkheid de ruindatum in te voeren;

vii) de datum en het land van geboorte zoals aangegeven door de exploitant die de paardachtige houdt;

viii) de datum van de natuurlijke dood in de inrichting of van het verlies, zoals aangegeven door de exploitant die de paardachtige houdt, of de datum waarop het dier is geslacht;

ix) de naam en het adres van de bevoegde autoriteit, of de instantie van afgifte waaraan de taak was toegewezen, die het identificatiedocument heeft afgegeven;

x) de datum van afgifte van het identificatiedocument.

c) voor elke paardachtige die gedurende een periode van meer dan dertig dagen in de inrichting wordt gehouden, wordt de unieke code geregistreerd, behalve:

i) voor paardachtigen die hoogstens negentig dagen bij wedstrijden, paardenrennen, shows, trainingen en sleepwerkzaamheden betrokken zijn;

ii) voor mannelijke paardachtigen die in het voortplantingsseizoen als fokdieren worden gehouden;

iii) voor vrouwelijke paardachtigen die hoogstens negentig dagen als fokdieren worden gehouden.