Art. 58 Gedelegeerde Verordening (EU) 2019/2035, Verplichtingen van exploitanten die paardachtigen houden met betrekking tot de middelen en methoden voor de identificatie van die dieren en de aanbrenging en het gebruik ervan
Gedelegeerde Verordening (EU) 2019/2035
1. Exploitanten die paardachtigen houden, zorgen ervoor dat elke paardachtige individueel wordt geïdentificeerd door middel van de volgende identificatiemiddelen:
a) een injecteerbare transponder zoals bedoeld in bijlage III, onder e);
b) een uniek, levenslang geldig identificatiedocument.
2. Exploitanten die paardachtigen houden, zorgen ervoor dat:
a) paardachtigen worden geïdentificeerd binnen de in artikel 12, leden 1 en 2, van Uitvoeringsverordening (EU) 2015/262 vastgestelde termijnen;
b) de in lid 1 bedoelde identificatiemiddelen niet worden verwijderd, gewijzigd of vervangen zonder toestemming van de bevoegde autoriteit van de inrichting waar die dieren gewoonlijk worden gehouden.
3. Exploitanten die paardachtigen houden en, indien deze exploitanten niet de eigenaar van de dieren zijn, die namens en in overeenstemming met de eigenaar van het dier optreden, dienen bij de bevoegde autoriteit van de inrichting waar de dieren gewoonlijk worden gehouden, een aanvraag in voor de afgifte van een uniek, levenslang geldig identificatiedocument zoals bedoeld in artikel 65 of 66, en verstrekken de bevoegde autoriteit de nodige informatie om dat identificatiedocument in te vullen en de gegevens in te voeren in het gegevensbestand zoals bedoeld in artikel 64.