Art. 1 Verordening (EU) 2019/1149, Oprichting, onderwerp en toepassingsgebied

Verordening (EU) 2019/1149

1. Bij deze verordening wordt de Europese Arbeidsautoriteit (de „Autoriteit”) opgericht.

2. De Autoriteit verleent de lidstaten en de Commissie bijstand bij hun effectieve toepassing en handhaving van het Unierecht op het gebied van de arbeidsmobiliteit in de gehele Unie en de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels in de Unie. De Autoriteit treedt op binnen het toepassingsgebied van de in lid 4 genoemde handelingen van de Unie, met inbegrip van alle op die handelingen gebaseerde richtlijnen, verordeningen en besluiten, en alle andere juridisch bindende handelingen van de Unie waarmee taken aan de Autoriteit worden opgedragen.

3. Deze verordening doet geenszins afbreuk aan de uitoefening van de grondrechten zoals die in de lidstaten en op Unieniveau zijn erkend, met inbegrip van het stakingsrecht of de stakingsvrijheid dan wel het recht of de vrijheid om conform de in de lidstaten bestaande specifieke stelsels van arbeidsverhoudingen andere acties te voeren, overeenkomstig het nationale recht of de nationale praktijk. Zij doet evenmin afbreuk aan het recht om over collectieve overeenkomsten te onderhandelen, deze te sluiten en de naleving ervan af te dwingen, of om collectieve actie te voeren overeenkomstig het nationale recht of de nationale praktijk.

4. Het werkterrein van de Autoriteit bestrijkt de volgende handelingen van de Unie, met inbegrip van toekomstige wijzigingen van deze handelingen:

a) Richtlijn 96/71/EG van het Europees Parlement en de Raad (19);

b) Richtlijn 2014/67/EU;

c) Verordening (EG) nr. 883/2004 en Verordening (EG) nr. 987/2009 van het Europees Parlement en de Raad (20), inclusief de bepalingen van Verordeningen (EEG) nr. 1408/71 (21) en (EEG) nr. 574/72 (22) van de Raad, voor zover deze nog van kracht zijn, Verordening (EU) nr. 1231/2010 van het Europees Parlement en de Raad (23) en Verordening (EG) nr. 859/2003 van de Raad (24), waarbij het toepassingsgebied van Verordening (EEG) nr. 1408/71 en Verordening (EEG) nr. 574/72 wordt uitgebreid tot onderdanen van derde landen die nog niet onder deze verordeningen vallen op grond van hun nationaliteit alleen;

d) Verordening (EU) nr. 492/2011;

e) Richtlijn 2014/54/EU;

f) Verordening (EU) 2016/589;

g) Verordening (EG) nr. 561/2006 van het Europees Parlement en de Raad (25);

h) Richtlijn 2006/22/EG van het Europees Parlement en de Raad (26);

i) Verordening (EG) nr. 1071/2009 van het Europees Parlement en de Raad (27).

5. De activiteiten van de Autoriteit betreffen ook de bepalingen van deze verordening inzake de samenwerking tussen de lidstaten voor het aanpakken van zwartwerk.

6. Deze verordening eerbiedigt de bevoegdheden van de lidstaten wat betreft de toepassing en de handhaving van het in de lijst van lid 4 genoemde Unierecht.

De door het Unierecht of door het nationale recht of de nationale praktijk verleende rechten of verplichtingen van personen of werkgevers, en de daaruit voortvloeiende rechten en verplichtingen van nationale instanties, alsmede de autonomie van de sociale partners, zoals erkend in het VWEU, worden door deze verordening onverlet gelaten.

De bestaande bilaterale overeenkomsten en regelingen voor administratieve samenwerking tussen de lidstaten, in het bijzonder die welke betrekking hebben op gecoördineerde en gezamenlijke inspecties, worden door deze verordening onverlet gelaten.

Verwijst naar

Volgende artikelen