Art. 96 Verordening (EU) 2019/1111, Verhouding tot het Verdrag van ’s-Gravenhage van 1980
Wanneer een kind ongeoorloofd is overgebracht of wordt vastgehouden in een andere lidstaat dan de lidstaat waar het kind onmiddellijk voordat het ongeoorloofd werd overgebracht of vastgehouden, zijn gewone verblijfplaats had, blijven de bepalingen van het Verdrag van ’s-Gravenhage van 1980 van toepassing, aangevuld met de bepalingen van de hoofdstukken III en VI van deze verordening. Indien een in een lidstaat gegeven beslissing waarbij overeenkomstig het Verdrag van ’s-Gravenhage van 1980 de terugkeer van het kind wordt gelast, in een andere lidstaat moet worden erkend en ten uitvoer gelegd na een verdere ongeoorloofde overbrenging of vasthouding van het kind, is hoofdstuk IV van toepassing.