Art. 54 Verordening (EU) 2019/1111, Voorzieningen betreffende de uitoefening van het omgangsrecht
1. De voor de tenuitvoerlegging bevoegde autoriteiten of de gerechten van de lidstaat van tenuitvoerlegging kunnen noodzakelijke voorzieningen voor de organisatie van de uitoefening van het omgangsrecht vaststellen, indien hierin in de beslissing van de gerechten van de lidstaat die in de zaak ten gronde bevoegd zijn niet of onvoldoende is voorzien, en op voorwaarde dat de wezenlijke bestanddelen van die beslissing worden geëerbiedigd.
2. De overeenkomstig lid 1 vastgestelde voorzieningen zijn niet langer van toepassing wanneer later een beslissing ter zake wordt gegeven door de gerechten van de lidstaat die in de zaak ten gronde bevoegd zijn.