Art. 2 Verordening (EU) 2019/424, Definities
1. Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:
(1) „server”: een computerproduct dat diensten verleent en in netwerken georganiseerde systeemelementen biedt aan netwerkclientapparaten, zoals desktopcomputers, notebookcomputers, desktop thin clients, IP (internetprotocol)-telefoons, smartphones, tablets, telecommunicatie, geautomatiseerde systemen of andere servers, dat hoofdzakelijk wordt bediend via netwerkverbindingen en niet met direct ermee verbonden gebruikersinvoerapparaten zoals een toetsenbord of een muis, en:
a) dat is ontworpen om besturingssystemen voor servers en/of hypervisors te ondersteunen en bedoeld is voor het uitvoeren van door de gebruiker geïnstalleerde bedrijfstoepassingen;
b) dat geheugen met foutcorrectiecode en/of gebufferd geheugen (waaronder zowel gebufferde dual in-line memory-modules als gebufferde on-board-configuraties) ondersteunt;
c) waarvan alle processoren toegang hebben tot het gedeelde systeemgeheugen en afzonderlijk aanspreekbaar zijn door één besturingssysteem of hypervisor;
(2) „server met meer dan vier processorsockets”: een server die beschikt over meer dan vier sleuven voor de installatie van een processor. Voor multinodeservers verwijst deze term naar een server met meer dan vier processorsockets in elke servernode;
(3) „ingebedde toepassing”: een softwaretoepassing die permanent is ondergebracht in een voor de industrie of voor consumenten bestemd toestel, en doorgaans is opgeslagen in een niet-vluchtig geheugen zoals een lees- of flashgeheugen;
(4) „server appliance”: een server die niet bedoeld is voor het uitvoeren van door de gebruiker aangeleverde software, diensten verleent via een of meer netwerken, doorgaans wordt beheerd via een webinterface of een commandline interface en gebundeld is met een voorgeïnstalleerd besturingssysteem en met toepassingssoftware die bestemd is voor een specifieke functie of een aantal onderling nauw verbonden functies;
(5) „robuuste server”: een server waarvan de microarchitectuur van het systeem, de centrale verwerkingseenheid (CPU) en de chipset zijn ontworpen met het oog op een uitgebreide betrouwbaarheid, beschikbaarheid, onderhoudbaarheid (reliability, availability, serviceability) en schaalbaarheid;
(6) „grote server”: een robuuste server die wordt verscheept als een vooraf geïntegreerd/getest systeem dat is ondergebracht in een of meer volledige behuizingen of racks en dat een input/output-subsysteem met hoge connectiviteit met minimaal 32 toepassingsgerichte input/output-slots omvat;
(7) „multinodeserver”: een server die is ontworpen met twee of meer onafhankelijke servernodes, die één behuizing en een of meer stroomvoorzieningseenheden delen. In een multinodeserver wordt de gecombineerde energie voor alle nodes verdeeld via de gedeelde stroomvoorzieningseenheden. Servernodes in een multinodeserver zijn niet ontworpen om hot-swappable te zijn;
(8) „volledig fouttolerante server”: een server die is ontworpen met volledige hardwareredundantie (om simultaan en repetitief één enkele taak uit te voeren met het oog op permanente beschikbaarheid voor kritische toepassingen) waarin elke rekencomponent verdubbeld is tussen twee nodes die identieke en simultane taken uitvoeren (d.w.z. als één node uitvalt of moet worden gerepareerd, kan de tweede node de taak alleen uitvoeren zodat het apparaat niet hoeft te worden stilgelegd);
(9) „netwerkserver”: een netwerkproduct dat dezelfde componenten bevat als een server en daarnaast beschikt over meer dan elf netwerkpoorten met een totale snelheid van gegevensoverdracht van 12 Gb/s of hoger, het vermogen om op dynamische wijze poorten en snelheid te herconfigureren en om ondersteuning te bieden voor een gevirtualiseerde netwerkomgeving via een software-defined netwerk;
(10) „gegevensopslagproduct”: een volledig functioneel opslagsysteem dat gegevensopslagdiensten levert aan clients en apparaten die er direct of via een netwerk mee verbonden zijn. Componenten en subsystemen die integraal deel uitmaken van de architectuur van het gegevensopslagproduct (bv. om interne communicatie tussen controllers en harde schijven mogelijk te maken) worden beschouwd als deel uitmakend van het gegevensopslagproduct. Componenten die normaliter echter geassocieerd worden met een opslagomgeving op datacentrumniveau (bv. apparaten die vereist zijn voor de werking van een extern opslagnetwerk), worden niet als deel van het gegevensopslagproduct beschouwd. Een gegevensopslagproduct kan zijn samengesteld uit geïntegreerde opslagcontrollers, apparaten voor gegevensopslag, ingebedde netwerkelementen, software en andere apparaten;
(11) „harde schijf (HDD)”: een apparaat voor gegevensopslag bestaande uit een of meer roterende magnetische schijven, waarvan/waarop informatie wordt gelezen/weggeschreven;
(12) „solid state drive (SDD)”: een apparaat voor gegevensopslag dat gegevens leest van en wegschrijft in een niet-vluchtig solid-stategeheugen in plaats van op roterende magnetische schijven;
(13) „apparaat voor gegevensopslag”: een apparaat dat in niet-vluchtige gegevensopslag voorziet, met uitzondering van aggregerende opslagelementen zoals subsystemen van RAID's (Redundant Arrays of Independent Disks), gerobotiseerde magneetbandbibliotheken, filers, en bestandsservers en opslagapparaten die niet direct toegankelijk zijn door toepassingsprogramma's voor eindgebruikers en als een vorm van interne cache worden gebruikt;
(14) „product voor online gegevensopslag”: een gegevensopslagproduct dat bestemd is voor online, willekeurige toegang tot gegevens, die toegankelijk zijn in een willekeurig of sequentieel patroon met een „maximale tijd tot eerste gegevens” (Maximum Time to First Data, MaxTTFD) van minder dan 80 milliseconden;
(15) „klein gegevensopslagproduct”: een gegevensopslagproduct dat maximaal drie apparaten voor gegevensopslag bevat;
(16) „groot gegevensopslagproduct”: een gegevensopslagproduct met hoge capaciteit of in de vorm van een mainframe dat in zijn meest uitgebreide configuratie meer dan 400 apparaten voor gegevensopslag kan bevatten en met de volgende vereiste kenmerken: geen Single Point of Failure, niet-disruptieve onderhoudbaarheid en geïntegreerde opslagcontroller.
2. Aanvullende definities voor de bijlagen II tot en met V zijn opgenomen in bijlage I.