Art. 134 Verordening (EU) 2019/6, Verbod op de levering van diergeneesmiddelen
1. Als er een risico voor de gezondheid van mens of dier of voor het milieu is, verbiedt de bevoegde autoriteit of, indien het om een diergeneesmiddel gaat waarvoor een gecentraliseerde vergunning is verleend, de Commissie, de levering van het diergeneesmiddel en verplicht zij de houder van de vergunning voor het in de handel brengen of de leveranciers het diergeneesmiddel niet langer te leveren of het terug te roepen indien één van de volgende situaties zich voordoet:
a) de baten-risicobalans van het diergeneesmiddel is niet langer positief;
b) de kwalitatieve of kwantitatieve samenstelling van het diergeneesmiddel verschilt van wat er in de samenvatting van de productkenmerken als bedoeld in artikel 35 wordt vermeld;
c) de aangegeven wachttijd is ontoereikend om de voedselveiligheid te garanderen;
d) de in artikel 127, lid 1, bedoelde controletests zijn niet uitgevoerd; of
e) de onjuiste etikettering kan leiden tot een ernstig risico voor de gezondheid van dier of mens.
2. De bevoegde autoriteiten of de Commissie kunnen het verbod op levering en het uit de handel nemen beperken tot de productiepartijen van het betreffende diergeneesmiddel die betwist worden.