Art. 37 Verordening (EU) 2018/1999, Inventarisatiesystemen van de Unie en de lidstaten
1. Uiterlijk op 1 januari 2021 zorgen de lidstaten voor de vaststelling, werking en permanente verbetering van nationale inventarisatiesystemen om een raming te maken van antropogene emissies per bron en verwijderingen per put van broeikasgassen zoals vermeld in deel 2 van bijlage V en om de tijdige voltooiing, transparantie, nauwkeurigheid, consistentie, vergelijkbaarheid en volledigheid van hun broeikasgasinventarissen te garanderen.
2. De lidstaten zorgen ervoor dat hun voor inventarisatie bevoegde autoriteiten toegang hebben tot de informatie in bijlage XII bij deze verordening, gebruikmaken van rapporteringssystemen die zijn opgezet overeenkomstig artikel 20 van Verordening (EU) nr. 517/2014 ter verbetering van de raming van fluorgassen in de nationale broeikasgasinventarissen, en in staat zijn de jaarlijkse overeenstemmingscontroles uit te voeren zoals bedoeld onder i) en j), van deel 1 van bijlage V bij deze verordening.
3. Er wordt een inventarisatiesysteem van de Unie opgezet om te zorgen voor de tijdige voltooiing, transparantie, nauwkeurigheid, consistentie, vergelijkbaarheid en volledigheid van nationale inventarissen met betrekking tot de broeikasgasinventaris van de Unie. De Commissie is belast met het beheer, het onderhoud en de voortdurende verbetering van dat systeem, wat onder meer inhoudt dat zij een kwaliteitsborgings- en kwaliteitscontroleprogramma vaststelt, kwaliteitsdoelstellingen en een kwaliteitsborgings- en kwaliteitscontroleplan voor de inventarisatie opstelt, procedures ontwikkelt voor het vervolledigen van emissieramingen teneinde de inventaris van de Unie uit hoofde van lid 5 van dit artikel op te maken, en de in artikel 38 bedoelde evaluaties uitvoert.
4. De Commissie voert een initiële controle uit van de nauwkeurigheid van de voorlopige gegevens voor de opmaak van de broeikasgasinventaris, die de lidstaten krachtens artikel 26, lid 3, moeten indienen. Zij zendt de resultaten van deze controle binnen zes weken na de termijn voor indiening van de gegevens naar de lidstaten. De lidstaten geven uiterlijk op 15 maart antwoord op eventuele naar aanleiding van de initiële controle gestelde vragen ter zake, samen met de indiening van de definitieve inventaris voor het jaar X–2.
5. Indien een lidstaat verzuimt uiterlijk op 15 maart de inventarisgegevens die vereist zijn voor het opmaken van de inventaris van de Unie in te dienen, kan de Commissie ramingen uitvoeren om de door de lidstaat ingediende gegevens te vervolledigen, in overleg en nauwe samenwerking met de betrokken lidstaat. De Commissie maakt hiervoor gebruik van de richtsnoeren voor het opstellen van de nationale broeikasgasinventarissen.
6. De Commissie stelt, met de bijstand van het in artikel 44, lid 1, onder a), bedoelde Comité klimaatverandering, uitvoeringshandelingen vast met regels betreffende de structuur, het formaat en de indieningsprocedure van de informatie betreffende nationale inventarisatiesystemen en eisen betreffende de opzet, het gebruik en de werking van inventarisatiesystemen van de lidstaten.
Wanneer de Commissie voorstellen voor dergelijke uitvoeringshandelingen doet, houdt zij rekening met de desbetreffende besluiten die zijn aangenomen door de instanties van het UNFCCC of van de Overeenkomst van Parijs.
Deze uitvoeringshandelingen worden vastgesteld volgens de in artikel 44, lid 6, bedoelde onderzoeksprocedure.
7. De Commissie stelt in aanvulling op deze verordening overeenkomstig artikel 43 gedelegeerde handelingen vast met regels inzake de eisen betreffende de opzet, het gebruik en de werking van het inventarisatiesysteem van de Unie. Wanneer de Commissie voorstellen voor dergelijke gedelegeerde handelingen doet, houdt zij rekening met de desbetreffende besluiten die zijn aangenomen door de instanties van het UNFCCC of van de Overeenkomst van Parijs.