Art. 34 Verordening (EU) 2018/1862, Doelstellingen en voorwaarden voor het invoeren van signaleringen
1. Ten behoeve van de mededeling van de woon- of verblijfplaats van een persoon voeren de lidstaten op verzoek van een bevoegde autoriteit in SIS signaleringen in van:
a) getuigen;
b) personen die door de justitiële autoriteiten in het kader van een strafprocedure zijn opgeroepen of die daartoe worden gezocht wegens feiten waarvoor zij worden vervolgd;
c) personen aan wie een vonnis of andere documenten dienen te worden betekend in het kader van een strafprocedure wegens feiten waarvoor zij worden vervolgd;
d) personen aan wie een oproep tot het ondergaan van een vrijheidsstraf dient te worden betekend.
2. Indien een duidelijke aanwijzing bestaat dat er een verband bestaat tussen de in artikel 38, lid 2, onder a), b), c), e), g), h) en k), genoemde voorwerpen en een overeenkomstig lid 1 van dit artikel gesignaleerde persoon, kan met het oog op de opsporing van die persoon een signalering van deze voorwerpen worden ingevoerd. In deze gevallen worden de signalering van de persoon en de signalering van het voorwerp gekoppeld overeenkomstig artikel 63.
3. De Commissie stelt uitvoeringshandelingen vast om de nodige technische voorschriften vast te leggen en te ontwikkelen inzake het invoeren, bijwerken, wissen en doorzoeken van de in lid 2 van dit artikel bedoelde gegevens. Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 76, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.