Art. 47 Verordening (EU) 2017/2403, Overgangsbepalingen met betrekking tot het tijdelijk opnieuw toewijzen van vangstmogelijkheden in het kader bestaande protocollen

Verordening (EU) 2017/2403

1. In afwijking van artikel 12 wordt de procedure voor het tijdelijk opnieuw toewijzen van de in dit artikel bedoelde vangstmogelijkheden gebruikt voor die protocollen bij PODV's die van kracht zijn of voorlopig worden toegepast op 17 januari 2018, tot het verstrijken van het protocol in kwestie.

2. Als in de context van een PODV op basis van het in artikel 11 bedoelde verzoek voor het doorsturen van de aanvragen blijkt dat het aantal vismachtigingen of de krachtens een protocol aan de Unie toegewezen vangstmogelijkheden niet volledig worden benut, stelt de Commissie de betrokken lidstaten daarvan in kennis en verzoekt zij hen te bevestigen dat zij niet volledig gebruikmaken van die vangstmogelijkheden. Indien niet wordt geantwoord binnen de termijnen waartoe door de Raad bij de sluiting van de PODV wordt besloten, wordt dit beschouwd als een bevestiging dat de vaartuigen van de betrokken lidstaat hun vangstmogelijkheden in de gegeven periode niet volledig benutten.

3. Na bevestiging door de betrokken lidstaat maakt de Commissie een raming van de niet-benutte vangstmogelijkheden en stelt zij die raming ter beschikking van de lidstaten.

4. De lidstaten die van de in lid 3 bedoelde niet-benutte vangstmogelijkheden wensen gebruik te maken, doen bij de Commissie een lijst toekomen van alle vaartuigen waarvoor zij van plan zijn een vismachtigingsaanvraag in te dienen, alsmede, overeenkomstig artikel 11, het verzoek voor het doorsturen van de aanvragen voor elk van die vaartuigen.

5. De Commissie beslist, in nauw overleg met de betrokken lidstaten, over de nieuwe toewijzing.

Als een betrokken lidstaat bezwaar maakt tegen deze nieuwe toewijzing, neemt de Commissie door middel van uitvoeringshandelingen een besluit, waarbij zij rekening houdt met de in lid 8 van dit artikel vastgestelde criteria, en stelt zij de betrokken lidstaten daarvan in kennis. Die uitvoeringshandelingen worden vastgesteld overeenkomstig de in artikel 45, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure.

6. Het doorsturen van de aanvragen overeenkomstig dit artikel laat de verdeling van de vangstmogelijkheden over of de uitwisseling van vangstmogelijkheden tussen de lidstaten, overeenkomstig artikel 16 van de basisverordening, onverlet.

7. Zolang de in lid 2 bedoelde termijnen niet zijn vastgesteld, wordt de Commissie niet belet om het in de leden 2 tot en met 5 beschreven mechanisme toe te passen.

8. Voor de in dit artikel bedoelde nieuwe toewijzing van vangstmogelijkheden houdt de Commissie met name rekening met:

a) de datum van elk van de ontvangen verzoeken;

b) de voor de nieuwe toewijzing beschikbare vangstmogelijkheden;

c) het aantal ontvangen verzoeken;

d) het aantal verzoekende lidstaten, en

e) als de vangstmogelijkheden volledig of gedeeltelijk gebaseerd zijn op de visserijinspanning of de vangsten, de verwachte visserij-inspanning of verwachte vangsten van elk van de betrokken vaartuigen.

Vorige artikelen

Volgende artikelen